Rioolheffing
De rioolheffing per (equivalente) heffingseenheid bedraagt in 2023 € 252,60. Dit komt overeen met het tarief voor de waterverbruiksklasse tot 100 m3 / jaar.
De rioolheffing mag op begrotingsbasis maximaal kostendekkend zijn: de geraamde opbrengsten mogen de geraamde lasten niet overstijgen (Gemeentewet artikel 229b).
Reserveren voor tariefsegalisatie en/of toekomstige vervangingsinvesteringen – door dotaties aan de voorziening(en) – is toegestaan.
Reserveren enkel voor uitbreiding van het voorzieningenniveau is niet toegestaan.
De opbrengsten van de rioolheffing mogen niet voor andere doeleinden dan voor het gemeentelijk rioolstelsel (inclusief grond- en hemelwatervoorzieningen) worden aangewend ofwel hebben een relatie met de verbrede watertaken.
Kwijtschelding van de rioolheffing (minimabeleid) komt niet voor rekening van het heffingstarief.
Rente & inflatie
De rente op nieuwe investeringen en boekwaarden bedraagt 1,1%. Deze rente wordt voor het eerst doorbelast aan het begin van het jaar volgend op de investering.
Er vindt geen toerekening van rente plaats op positieve saldi van reserves en/of voorzieningen.
Er vindt per jaar 1,5% indexatie van de uitgaven plaats (als gevolg van inflatie).
BTW
Jaarlijks belasten we 21% BTW door aan de rioolheffing, op basis van de directe kosten en de (werkelijke) investeringsbedragen.
Voorzieningen
Het per 31/12/2022 verwachte saldo van de Voorziening beklemde middelden derden (BBV 44.2) bedraagt € 384.778, en van de Spaarvoorziening (BBV 44.1d) € 1.247.728; dit saldo wordt primair ingezet om de uitgestelde projecten (vanuit voorgaande planperiode) te dekken;
Het saldo van de Voorziening mag gedurende de gehele beschouwde periode niet negatief zijn.
Er is geen maximum gesteld aan het saldo dat gedurende de beschouwde periode in de voorziening wordt begroot.
Heffingseenheden
Het aantal (equivalente) heffingseenheden bedraagt per 1 januari 2023: 8.852. Dit aantal eenheden is berekend uit het totaal aan begrote inkomsten in 2023 (€ 2.236.134) gedeeld door het tarief voor de waterverbruiksklasse tot 100 m3 / jaar;
Het aantal (equivalente) heffingseenheden stijgt tot het jaar 2026 met 50% van de woningbouwprognose. Dit komt neer op een totale stijging van 205 eenheden t/m 2026.
Investeringen
Het vervangingsschema voor vrijvervalriolering is voor de planperiode bepaald op basis van de geplande investeringen. Daarna is door uit te gaan van een theoretische levensduur van 60 jaar een vervangingslijn bepaald met behulp van de kostenkengetallen uit de Kennisbank Stedelijk Water.
Vervangingsschema’s voor rioolgemalen, drukriolering, persleidingen en randvoorzieningen zijn gebaseerd op de theoretische levensduur en kostenkengetallen uit de Kennisbank Stedelijk Water. Deze zijn in een aantal gevallen bijgesteld op basis van gemeentelijke ervaringscijfers.
Via de spaarvoorziening sparen we voor de vervangings- en verbeteringsmaatregelen. Wanneer het aanwezige spaarsaldo onvoldoende is om het gehele investeringsbedrag af te dekken, wordt het restbedrag geactiveerd en vindt lineaire afschrijving plaats (startend in het jaar volgende op de investering) over de volgende termijnen:
Bouwkundige onderdelen: 60 jaar.
Elektro-/mechanische onderdelen: 10 jaar (meetopstellingen), 15 jaar (drukriolering), 20 jaar (gemalen) of 25 jaar (pompen randvoorzieningen)
De basisregels uit het BBV schrijven voor dat investeringen geactiveerd worden: het investeringsbedrag wordt gedekt door een krediet, waaruit jaarlijkse kapitaallasten (rente en afschrijving) volgen. Het BBV biedt de mogelijkheid om jaarlijkse spaarbedragen in het tarief op te nemen, waarmee het te activeren bedrag verminderd mag worden. Wanneer vooraf voldoende gespaard is, kan bereikt worden dat er nog maar €0,- geactiveerd hoeft te worden. Er ontstaat dan geen nieuwe boekwaarde (“restschuld”) en dus ook geen nieuwe kapitaallasten.
Hoofdstuk 6 › Paragraaf 6.2
Artikel 6.2.1
Uitgangspunten
Onderdeel van Plan Stedelijk Water 2023-2027