Het telen van fruit en gewassen is een veel voorkomende activiteit in de verschillende gemeenten en daarmee een belangrijke bron van inkomsten voor veel bedrijven. Inherent hieraan is het treffen van maatregelen ter beperking van opbrengstschade. Knalapparatuur is en blijft een belangrijk en veelgebruikt middel om schade aan gewassen te beperken en voorkomen. Het gebruik van knalapparatuur is echter niet verplicht om in aanmerking te komen voor een schadevergoeding.
Naast knalapparatuur zijn er verschillende andere hulpmiddelen die telers kunnen inzetten. Het is noodzakelijk om de knalapparatuur zoveel mogelijk af te wisselen met andere verjaagmethoden, zodat gewenning en hierdoor juist een aantrekkend effect van vogels wordt voorkomen. Een zekere mate van hinder als gevolg van het gebruik van knalapparatuur in de agrarische branche is aanvaardbaar, mits de mate en duur van de hinder beperkt is.
De periode en duur van de inzet van knalapparatuur is van diverse factoren afhankelijk. Het soort gewas, het seizoen en het weer spelen een belangrijke rol, maar ook de ligging van het land en de aanwezigheid van vogels en ander wild is hierbij van belang.
De laatste jaren is een toename geconstateerd in het gebruik van knalapparatuur. Een van de oorzaken is de inwerkingtreding van de Ff-wet, waardoor afschotmogelijkheden verder beperkt zijn. Een andere trend is dat de vergoedingen voor geleden schade minder en moeizamer worden toegekend. Nederland wordt de laatste jaren geconfronteerd met een snel groeiend aantal overzomerende en broedende ganzen van diverse soorten, maar ook het aantal duiven en kraaiachtigen neemt in omvang toe.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.1
Algemeen
Onderdeel van Uitvoeringsregels voor het gebruik van knalapparatuur ter voorkoming van schade aan gewassen