Lid 1: Een mandaathouder kan van zijn mandaat gebruikmaken wanneer dit mandaat past binnen het vastgestelde budget.
Lid 2: Bij de uitoefening van de bevoegdheden in mandaat moeten de regels van de Financiële verordening en eventueel daarop gebaseerde regelingen in acht genomen worden.
Lid 3: In geval van strijdigheid tussen het Mandaatbesluit en de Financiële verordening en eventueel daarop gebaseerde regelingen, gaan de laatsten voor.