Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3.

Artikel 3.1

KWALITATIEF VRAAGSTUK- MISMATCH WONINGVOORRAAD EN TOEKOMSTIGE BEVOLKINGSSAMENSTELLING

Onderdeel van Besluit van de raad van de gemeente Beesel houdende regels omtrent de regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024

Doordat er verschuivingen plaatsvinden in de demografische samenstelling van onze bevolking, zien we ook de woonbehoefte kwalitatief veranderen. Door de veranderende samenstelling van huishoudens ontstaat een stijgende woonbehoefte aan nultredenwoningen en appartementen. We zien een afnemende woonbehoefte aan reguliere grondgebonden woningen, zowel in de huur- als de koopsector. Het Stec-rapport over de bestaande voorraad onderschrijft deze opgave. Het is dan ook niet verstandig om bij nieuwbouw fors in te zetten op de realisering van reguliere (niet levensloopbestendige) grondgebonden woningen. Bestaande woningen in dit segment, die in slechte staat van onderhoud verkeren of moeilijk levensloopbestendig te maken zijn, zullen op den duur onverkoopbaar worden. Als regio achten we het onverstandig om de toekomstige rekening, door de bouw van nog meer van hetzelfde, op deze wijze neer te leggen bij huidige woningeigenaren. Daaruit volgt dat we als regiogemeenten terughoudend staan ten opzichte van bijvoorbeeld traditionele Ruimte voor Ruimte woningen, omdat deze woningen over het algemeen niet meer aansluiten op de woonbehoefte van morgen. Voor Ruimte voor Ruimte geldt dat de provincie een verbreding heeft gemaakt in de regeling. Er wordt ook ruimte geboden voor andere woonvormen die beter aansluiten bij de behoefte. Ook is er een mogelijkheid om andere verdienmodellen te verkennen. De regio onderschrijft deze verbreding. Zo ontstaan er mogelijkheden om Ruimte voor Ruimte in te zetten voor de kwalitatieve woonopgaven van de regio. Vragen vanuit de provincie om in het kader van Ruimte voor Ruimte woningbouw mogelijk te maken, zullen in de regio kwalitatief beoordeeld worden op eenzelfde wijze waarop ook andere woningbouwplannen beoordeeld worden. Uitgangspunt is immers dat de woningen die toegevoegd worden ook moeten voorzien in een woonbehoefte. Nu en in de toekomst. Door in te zetten op de juiste kwaliteit woningen bewerkstelligen we de langste keten op het gebied van doorstroming op de woningmarkt. Ter illustratie, ouderen stromen van grote gezinswoningen door naar nultredenwoningen. Gezinnen kunnen hierdoor een volgende stap maken in hun wooncarrière en laten op hun beurt starterswoningen achter die bewoond kunnen worden door nieuwe starters. Dat wil niet zeggen dat we onze ogen sluiten voor de vraag van vandaag. Bepaalde doelgroepen die nu niet bediend worden, willen we wel faciliteren. Het is de kunst om dat op een zodanige manier te doen dat dit niet tot een mismatch in de toekomst leidt. In paragraaf 3.3 gaan we hier verder op in. Koers voor Noord-Limburg Bij nieuwbouw dient bij voorkeur ingezet te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. Om richting te geven aan de benodigde aantallen maken we nog steeds gebruik van huishoudensprognoses. Als referentieprognose wordt Progneff (E’til) gebruikt. Prognoses zijn ingewikkelde rekenmodellen, waarin vele variabelen meegewogen worden. Trends als geboorte en sterfte zijn relatief eenvoudig te voorspellen. Immigratie en emigratie zijn al wat minder goed in te schatten. Zo zijn er nog diverse andere ingrediënten die ervoor kunnen zorgen dat prognoses kunnen fluctueren. Als de input verandert, verandert de uitkomst ook. Prognoses geven daarom richting aan de toekomst. Het is dus een kwestie van balans zoeken tussen richting geven en flexibel blijven. Een goede onderbouwing van de woningbehoefte blijft leidend. Daarom kiezen we er in de regio voor om te werken met een kwalitatieve richtlijn. Hiermee bedoelen we dat Progneff de basis vormt, maar dat (indien kwalitatief wenselijk) er ruimte blijft om de ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Dit is geen vrijbrief om ongebreideld woningbouwplannen toe te voegen. In de regio hebben we uitgangspunten geformuleerd waaraan alle bouwplannen moeten voldoen die binnen de kwalitatieve richtlijn vallen (ook Ruimte voor Ruimte plannen worden hieraan getoetst). Als verfijning hierop werken de gemeenten momenteel al met een lokaal afwegingskader woningbouw (of een vergelijkbaar toetsingsinstrument). Hieronder worden de nieuwe regionale uitgangspunten weergegeven. UITGANGSPUNTEN VOOR DE KWALITATIEVE RICHTLIJN Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen | Gelet op de toekomstige samenstelling van onze bevolking streven we ernaar om woningen dichtbij voorzieningen te realiseren. Gezien de grote druk op het buitengebied vanuit andere ruimtevragers (agrarische sector, energieproductie, toerisme en recreatie, klimaat en natuur) kan een woonfunctie daar belemmerend werken. Koppelkansen | Het realiseren van woningen kan een middel zijn om anderen opgaven aan te pakken, denk hierbij aan het oplossen van leegstand, herstructurering ‘rotte plekken’, invulling cultuurhistorisch waardevolle panden et cetera. Het ligt daarom voor de hand om deze plekken voorrang te geven. Woningbouw staat hierbij in het teken van de ontwikkeling van de kwaliteit van de leefomgeving, maar is hier nadrukkelijk niet de enige oplossingsrichting. Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot | Onder andere de analyses van de Stec Groep over de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad, geven ons inzicht in de kwetsbare woningoverschotten. Nieuwe woningbouwplannen mogen onze opgave in de aanpak van deze kwetsbare woonsegmenten niet verder vergroten. Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte | Alleen woningen toevoegen waaraan behoefte is, nu en in de toekomst. Denk hierbij aan een mix van sociale- en middenhuur, levensloopbestendige woningen en andersoortige toekomstbestendige woonconcepten. We streven sociaal duurzame woonconcepten na | Woonconcepten die een bijdrage leveren aan ‘het zorgen voor elkaar’ hebben een pré. Veranderingen in de zorg vragen om een andere kijk op het thema wonen in relatie tot leefbaarheid. Hierbij hebben we ook oog voor de spreiding van doelgroepen dat gemengde wijken bevordert. We zoeken aansluiting op de duurzaamheidsdoelen die landelijk, regionaal en lokaal gesteld zijn | Denk hierbij onder andere aan doelstellingen op het gebied van klimaatadaptatie, energetische kwaliteit, mobiliteit, circulair bouwen, gezonde leefomgeving en gebruik duurzame bouwmaterialen. Samenvattend We spreken regionaal af, dat bij onze opgave- die vooral kwalitatief van aard is- de prognoses volgens Progneff dienen als referentie. We blijven hier de afspraak hanteren, dat plannen van meer dan 10 woningen regionaal worden afgestemd. Kwantitatieve reductieopgave In de vorige regionale woonvisie was opgenomen dat 40% van de overcapaciteit aan bouwplannen gereduceerd zou worden voor 2020. Daar is regionaal aan voldaan. De reductieopgave van 2020 tot 2030 zou de resterende overcapaciteit aan woningbouwplannen zijn. In de huidige context stellen we de kwantitatieve opgave ten dienste van de kwalitatieve. Wij realiseren ons dat er een moment komt dat de huishoudensontwikkeling niet meer toeneemt en daarna afneemt. Door selectief te zijn in het toevoegen van nieuwe plannen en die te enten op de duurzame behoefte, voorkomen we dat overmatige nieuwbouw gaat leiden tot leegstand ‘na het piekmoment’. Het wil dus niet zeggen dat er geen reductie meer nodig is, maar dat deze vooral kwalitatief is. Plannen die niet aansluiten op de toekomstige woningbehoefte moeten nog steeds daarop aangepast worden (ook daarvoor is de kwalitatieve richtlijn leidend). Het blijft essentieel om goed te monitoren hoe de huishoudens zich in de toekomst blijven ontwikkelen. Een en ander moet niet teveel uit de pas lopen.

Rechtspraak bij dit artikel