**1..** Het is de rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee aan te leggen in of aan een rietkraag of aan of op een krachtens artikel 5.3.2.8 als zodanig aangewezen oever.
**2..** Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het de rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee langer dan gedurende ten hoogste drie achtereenvolgende dagen of gedeelten daarvan op dezelfde plaats aan te leggen.
De rechthebbende op een vaartuig wordt geacht daarmee gedurende drie achtereenvolgende dagen of gedeelten daarvan op dezelfde plaats te hebben gelegen, indien dat vaartuig op die plaats door een met het toezicht op de naleving van deze bepaling belaste ambtenaar wordt aangetroffen op enig tijdstip van de eerste van drie dagen en op enig tijdstip van de eerste dag na die drie dagen.
De rechthebbende op een vaartuig wordt geacht daarmee gedurende drie achtereenvolgende dagen op dezelfde plaats te zijn gebleven, indien dat vaartuig binnen een straal van 500 meter – hemelsbreed gemeten en gerekend vanaf de onder a. bedoelde aanlegplaats - wordt aangetroffen.
Het is de rechthebbende op een vaartuig verboden met een vaartuig binnen vijf dagen nadat het is verplaatst op de onder a. bedoelde plaats opnieuw aan te leggen.
**3..** Het college van burgemeester en wethouders kan van het in het eerste lid gesteld verbod ontheffing verlenen, voor zover het betreft een krachtens artikel 5.3.2.8 zodanig aangewezen oever.
Hoofdstuk 5 › Afdeling 3 › Paragraaf 2
Artikel 5.3.2.3
Aanleggen
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening (apv) (inclusief 1e wijziging)