**1.** Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, kan een maatregel worden opgelegd die wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand.
**2.** Onverminderd artikel 2, tweede lid, kan de maatregel op de volgende wijze worden
vastgesteld:
a. bij een periode van 3 maanden of korter: 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand;
b. bij een periode van 3 tot 6 maanden: 10% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden;
c. bij een periode van 6 maanden en langer: 10% van de bijstandsnorm gedurende zes maanden.
**3.** Onverminderd artikel 2, tweede lid, kan een maatregel van 50% gedurende een maand worden opgelegd bij het door eigen toedoen (verwijtbaar) niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, waaronder mede wordt verstaan gesubsidieerde arbeid en work-
first.
**4.** Onverminderd artikel 2, tweede lid, kan een maatregel van 20% worden opgelegd bij het onverantwoordelijk interen op het vermogen gedurende het aantal maanden dat te snel op het vermogen is ingeteerd.
**5.** Het percentage van de maatregel kan worden verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbaar aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende reden, bedoeld in artikel 6, tweede lid.
Paragraaf 4
Artikel 14
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand