In deze nota wordt verstaan onder:

1. Activeren

Het op de balans presenteren van de financiële waarde van aangeschafte of vervaardigde kapitaalgoederen met meerjarig nut.

2. Afschrijven

Jaarlijks vermindert de waarde van een investering. Deze vermindering wordt afschrijving genoemd. Deze waardedaling wordt veroorzaakt door technische slijtage (technische levensduur) en/of economische veroudering (economische levensduur). Het af te schrijven bedrag hangt af van de gebruiksduur van de investering. Deze gebruiksduur bepaalt dan ook de afschrijvingstermijn en dus ook de hoogte van de afschrijvingslasten.

3. A-investeringen: Investeringen worden als A-investering aangemerkt indien:

a. Niet voldaan wordt aan de definitie van B-investering zoals beschreven in lid 5.

b. Er sprake is van investeringen die in hoofdzaak het karakter van een nieuwe investering of een uitbreidingsinvestering hebben;

a. Er sprake is van politiek-gevoelige en/of beleidsrelevante investeringen waarvan het krediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd (art. 8 lid 4 financiële verordening 2021)

b. De gemeenteraad in overige voorkomende gevallen heeft aangegeven dat er in specifieke gevallen sprake is van een A-investering.

4. BBV

Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten.

5. B-investeringen: Investeringen worden als B-investering aangemerkt indien:

a. Er sprake is van een onontkoombare vervangingsinvestering; én

b. De investering gedekt wordt uit erkende stelposten voor kapitaallasten; én

c. De investering voortvloeit uit een reeds door de raad vastgesteld plan (bijvoorbeeld: onderwijshuisvestingsplan, nota kapitaalgoederen, meerjarenonderhoudsplannen, Vgrp etc…)

6. Componentenbenadering

De componentenbenadering houdt in dat verschillende samenstellende delen van een materieel vast actief afzonderlijk worden gewaardeerd en afgeschreven op basis van het waarde verloop van die individuele delen. Per samenstellend deel kunnen de economische gebruiksduren namelijk verschillen. Bij toepassen van deze benadering, worden afzonderlijke vervangingen opnieuw geactiveerd.

7. (Dis)agio

(Dis)agio is het verschil tussen het bedrag waarvoor een lening wordt aangegaan en het bedrag dat aan de geldnemer wordt uitgekeerd.

8. Financiële vaste activa

Financiële vaste activa is een groep van activa die een financiële waarde of bezit vertegenwoordigen (bijvoorbeeld deelnemingen en aandelen).

9. Immateriële vaste activa

Immateriële vaste activa zijn uitgaven waar geen gemeentelijke bezittingen tegenover staan. Dit zijn die activa die niet stoffelijk van aard zijn en die niet onder de financiële vaste activa worden begrepen.

10. Investeren.

Het vastleggen van vermogen in objecten waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt.

11. Investeringen

Uitgaven waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt.

12. Investeringen met economisch nut

Investeringen die bijdragen aan de mogelijkheid middelen te verwerven en/of die verhandelbaar zijn. Het gaat hierbij nadrukkelijk om de mogelijkheid middelen te verwerven. Voorbeelden van investeringen met economisch nut zijn rioleringen (verwerving middelen d.m.v. rioolheffing) en gebouwen (verwerving middelen d.m.v. verhuur en/of verkoop).

13. Investeringen met maatschappelijk nut

Investeringen die geen economisch nut opleveren (geen middelen genereren en/of verhandelbaar zijn). Voorbeelden van investeringen met maatschappelijk nut zijn investeringen in wegen en groenvoorzieningen.

14. Kapitaallasten

Het totaal van de afschrijvingskosten en de rentekosten.

15. Lineaire afschrijving

De lineaire afschrijvingsmethode houdt in afschrijven volgens een vast percentage van de aanschafprijs. Het jaarlijkse afschrijvingsbedrag is gelijk, terwijl de rentelasten jaarlijks afnemen. Dit laatste betekent dat de kapitaallasten (afschrijving + rente) jaarlijks een dalend verloop laten zien.

16. Materiële vaste activa

Materiële vaste activa zijn investeringsuitgaven waar tegenover bezittingen staan, waarvan de gebruiksduur gedurende meerdere jaren kan worden toegepast. Materiële vaste activa zijn dus feitelijk de objecten die door investeringen worden verworven.

17. Nominale waarde

Waarde zoals die staat aangegeven op een waardepapier.

18. Rente

Een vergoeding voor het beslag dat de boekwaarde van een investering legt op de financieringsmiddelen van de gemeente.

19. Restwaarde

De restwaarde vertegenwoordigt de schatting, tegen het prijspeil van het moment van ingebruikname, van de opbrengst die na de gebruiksduur nog gerealiseerd kan worden, verminderd met de te maken kosten voor verwijdering of vernietiging van (delen van) het actief.