1. In de tussentijdse rapportages wordt een onderscheid gemaakt tussen A-investeringen en B-investeringen.

2. Bij voorziene over- of onderschrijdingen van vastgestelde investeringskredieten met meer dan 10% of meer dan € 50.000 wordt de raad via de tussentijdse rapportages geïnformeerd.

3. Met het vaststellen van de tussentijdse rapportages autoriseert de gemeenteraad de voorgestelde bijstelling van de investeringskredieten.

4. Alleen voor de B-investeringen geldt dat het mogelijk is om een verhoging van een krediet te compenseren door een verlaging van een ander krediet binnen hetzelfde begrotingsjaar.

5. Indien er sprake is van een noodzakelijke verhoging van een krediet uit jaar t die niet past binnen het in de begroting beschikbare investeringsvolume voor dat jaar, dan komt het meerdere ten laste van de investeringsruimte van jaar t + 1 of de daarop volgende jaren. Uitgangspunt is dat de kapitaallasten meerjarig worden opgevangen binnen de bestaande investeringsruimte van het financieel meerjarenperspectief.

6. De hogere kapitaallasten die samenhangen met een bijstelling als bedoeld in het voorgaande lid dienen bij het opstellen van de eerstvolgende programmabegroting en het daarin opgenomen MIP verwerkt te worden binnen de sluitende (meerjaren)begroting.

7. Het is niet mogelijk om investeringskredieten uit het lopende begrotingsjaar te verhogen ten laste van investeringsruimte/vrijval van kredieten uit voorgaande jaren. Hiermee wordt voorkomen dat investeringsruimte uit voorgaande jaren via bijstellingen in de tussentijdse rapportages voortdurend wordt ‘meegesleept’ naar volgende jaren.