Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 4

Financiële criteria

Onderdeel van Regeling voor garantstellingen en leningen Twenterand

1.. Een rentevoordeel ten opzichte van een financiële instelling is onvoldoende reden voor verstrekking van een garantstelling of lening door het college. 2.. Het college weigert een garantstelling of lening als de betreffende garantstelling of lening zonder onoverkomelijke bezwaren voor de aanvrager door een financiële instelling kan worden verleend zonder ondersteuning van het college. 3.. Het college verstrekt slechts garantstellingen. In uitzonderingsgevallen kan sprake zijn een leningverstrekking door het college. 4.. De financiële positie en prognoses van de aanvrager zijn zodanig dat rente en aflossing betaald kunnen blijven worden. 5.. Er is geen garantstelling of lening mogelijk indien een beroep kan worden gedaan op een voorziening in de vorm van een (nationaal) waarborgfonds zoals Waarborgfonds Sociale Woningbouw, Waarborgfonds voor de Zorg en Waarborgfonds Kinderopvang. De gemeente heeft dan vaak wel een zogenaamde achtervangfunctie. 6.. Specifiek voor sport geldt dat er wordt samengewerkt met de Stichting Waarborgfonds Sport (SWS). Zonder medewerking van dit Fonds verstrekt het college in beginsel geen garantstelling of lening. SWS biedt naast een borgstelling van 50% ook een financiële toetsing en een jaarlijkse controle van de begroting en jaarrekening. Er wordt aansluiting gezocht bij de eisen aan een borgstelling van het SWS. 7.. Het college neemt een aanvraag voor een lening of garantiestelling lager dan € 10.000,00 niet in behandeling. 8.. Een aanvraag voor een garantiestelling of lening bedraagt maximaal het bedrag dat een waarborgfonds hanteert en als er geen waarborgfonds is € 250.000,00 per aanvrager. 9.. Het plafond voor garantiestellingen en leningen bedraagt € 2.000.000,00 per jaar. 10.. Het plafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van volledige aanvragen.

Rechtspraak bij dit artikel