Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk II › Paragraaf

Artikel 5

Ongedaan maken nieuwe bodemverontreiniging met PFAS

Onderdeel van Beleidsregel PFAS gemeente Amsterdam 2023

1.. Voor degene op wie de zorg- en herstelplicht van toepassing is geldt, ter nadere invulling van hetgeen is bepaald in de artikelen 13 en 27 van de Wet, het volgende: Een nieuwe bodemverontreiniging met PFAS dient zoveel mogelijk ongedaan te worden gemaakt, tot gehalten opgenomen in artikel 7, derde lid, indien dat redelijkerwijs mogelijk is. Maatregelen om een nieuwe bodemverontreiniging met PFAS ongedaan te maken moeten worden beschreven in een plan van aanpak. 2.. Het plan van aanpak zoals bedoeld in het eerste lid, onder b, van dit artikel wordt, voordat wordt aangevangen met de maatregelen om de nieuwe bodemverontreiniging met PFAS ongedaan te maken, ingediend bij het College van B&W. Het College van B&W kan met betrekking tot de in het plan van aanpak beschreven maatregelen aanwijzingen geven in de zin van artikel 27, tweede lid, van de Wet. 3.. Indien degene op wie de zorg- en herstelplicht rust van oordeel is dat het zo veel mogelijk ongedaan maken van een nieuwe bodemverontreiniging met PFAS redelijkerwijs niet verlangd kan worden, wordt dit in het plan van aanpak onderbouwd. Hierbij kan aansluiting worden gezocht bij de Handreiking ‘redelijkerwijs’ en het ‘natuurlijk moment’ bij de zorgplicht bodem d.d. 25 november 2021 (van Rijkswaterstaat-leefomgeving, Bodemplus). Uitgangspunt is volledige verwijdering; 4.. Degene op wie geen zorg- en herstelplicht rust, kan gebruik maken van de saneringsregeling van paragraaf 3 in hoofdstuk IV van de Wet bodembescherming. Hierbij geldt het beoordelingskader van artikel 7.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel