Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.3

Artikel 2.3.2

WONINGWET

Onderdeel van Nota bodembeheer regio MARN

Een doelstelling van de Woningwet (Ww, artikel 8, tweede lid, onder c) is dat bouwen op verontreinigde bodem wordt tegengegaan. Om hieraan te kunnen voldoen dient bij de aanvraag van een vergunning voor bouwactiviteiten vaak een bodemonderzoeksrapport te worden overgelegd. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Inmiddels is de Wabo van belang voor de beoordeling van een bouwaanvraag. De Wabo bundelt diverse vergunningen, ontheffingen, vrijstellingen en meldingen die nodig zijn voor het realiseren van een fysiek object (bouw, aanleg, oprichting, gebruik en sloop) zodanig dat één besluit overblijft, namelijk de omgevingsvergunning. Ook de bouwvergunning valt onder deze procedure, waardoor onder andere de termijnen veranderen die nu nog in de Woningwet worden gehanteerd. Indien uit het bodemonderzoek blijkt dat sprake is van een bepaalde mate van bodemver-ontreiniging, kan samenloop ontstaan tussen de Woningwet en de Wet bodembescherming. In onderstaande tabel is weergegeven in welke situaties de Ww en in welke situaties de Wbb van toepassing is. Tabel 2.3 Wbb - Ww? Mate van bodemverontreiniging Wbb van toepassing? Ww van toepassing? ernstige bodemverontreiniging, spoedeisend Ja Ja ernstige bodemverontreiniging, niet spoedeisend Ja Ja niet-ernstige bodemverontreiniging Nee Mogelijk „schone‟ bodem (voldoet aan achtergrondwaarden) Nee Nee Ministeriële regeling omgevingsvergunning (Mor) Op grond van de Ministeriële regeling omgevingsvergunning (Mor) gelden landelijk uniforme indieningsvereisten bij de aanvraag om een omgevingsergunning. Op basis van de aanvraag van een omgevingsvergunning toetst de gemeente of de bodemkwaliteit geschikt is om op te bouwen. In artikel 2.4 Mor wordt de aanvrager van een omgevingsvergunning verplicht een ‘onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid in te dienen. Deze onderzoeksplicht is uitsluitend van toepassing op omgevingsvergunningsplichtige bouwwerken, die specifiek bedoeld zijn voor het verblijf van mensen (zie kader), en die de grond raken, of waarvan het huidige gebruik wijzigt. Als hiervan geen sprake is geldt een vrijstelling van de onderzoeksplicht. Gebouwen waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven In de wetgeving (art 8, lid 3 Woningwet) is aangegeven dat alleen bodemonderzoek nodig is bij „gebouwen waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven‟. Hiermee wordt bedoeld een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag. Het gaat daarbij niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een structureel (over een langere periode dan een dag) verblijven van dezelfde mensen in een gebouw. Achterliggende gedachte is dat het bouwwerk bestemd moet zijn voor het verblijf van mensen. In artikel 2.4, lid d van de Mor zijn nadere eisen gesteld aan het (bodem)onderzoek. Hierin is onder andere bepaald dat de bodemgesteldheid door middel van een verkennend bodemonderzoek conform de NEN5740 dient te worden vastgesteld. Afhankelijk van de resultaten kan ook nog een Nader Onderzoek of asbestonderzoek noodzakelijk zijn. Ook is in de toelichting aangegeven dat iedere gemeente de bestuurlijke vrijheid heeft om vrijstelling te verlenen voor het uitvoeren van een bodemonderzoek. Deze vijstelling kan op basis van artikel 2.1.5, lid 3 en 4 van de bouwverordening worden verleend. Het is niet altijd wenselijk om een bodemonderzoek te verlangen, omdat dit onnodige lasten bij het bouwen met zich meebrengt. In de bouwverordening legt de gemeente vast voor welke situaties en onder welke voorwaarden een vrijstelling wordt verleend. De gemeente bepaalt zelf wanneer voldoende inzicht is in de bodemgesteldheid. In de praktijk is dit afhankelijk van de historische (verdachte) bodembedreigende activiteiten en van de lokale bodemkwaliteit. In de toelichting op de Modelbouwverordening wordt als voorbeeld van voldoende gegevens genoemd: een recent verkennend onderzoek dat kwalitatief gelijkwaardige informatie heeft opgeleverd (bodemonderzoek in het kader van aan- en verkoop of een bodemonderzoek uitgevoerd voor een eerdere bouw- of omgevingsvergunning op het perceel). Ook een bodemkwaliteitskaart (BKK) in combinatie met een Nota bodembeheer is als voldoende onderzoeksresultaat te beschouwen. Aangezien een BKK niets zegt over een lokale verontreiniging is het aan te bevelen om voor de betreffende locatie dan nog wel een historisch vooronderzoek uit te (laten) voeren

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel