Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5 › Paragraaf 5.1

Artikel 5.1.2

STAPPENPLAN BODEMTOETS BESTEMMEN

Onderdeel van Nota bodembeheer regio MARN

Voor de bodemtoets wordt door de MARN-gemeenten het onderstaande stappenplan gebruikt: Stap 1 - Wat is de huidige en wat is de toekomstige functie? Bepaal de huidige en toekomstige functie(s) van het plangebied. Raadpleeg het bestemmingsplan (oud en nieuw) en de bodemfunctieklassenkaart voor het bepalen van de huidige en toekomstige functies. Afhankelijk van de functie worden bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem en aan eventuele hergebruik van grond (of bagger) die kan worden toegepast. Stap 2 - Wat is de huidige bodemsituatie? Voor het vaststellen van de huidige bodemkwaliteit kunt u allereerst een vooronderzoek (historisch onderzoek) conform de laatste versie van de NEN5725 uit te (laten) voeren, eventueel gevolgd door een bodemonderzoek conform de NEN 5740. Voor een bestemmingsplan wat enkel wordt geactualiseerd en waar de bebouwing en inrichting gehandhaafd blijft , is het doorlopen van stap 2 meestal afdoende. Het aantreffen van een verontreiniging bij de deze bestemmingsplanprocedure leidt niet tot aanvullend bodemonderzoek of –sanering. Pas op het moment dat hier een ontwikkeling plaatsvindt, worden de vervolgstappen van belang Stap 3 - Voldoet de kwaliteit aan de functie: beoordeling en toetsing? Ga na of de bodemkwaliteit voldoet aan de normen die horen bij de toekomstige functies in het plangebied. Er wordt onderscheidt gemaakt tussen de diffuse bodemkwaliteit en lokale verontreinigingen (puntbronnen). Diffuse bodemkwaliteit De diffuse bodemkwaliteit is de bodemkwaliteit in de onverdachte gebieden van de gemeente. Deze diffuse kwaliteit is te herleiden uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente. Raadpleeg deze bodemkwaliteitskaart en zet deze af tegen de functies uit de bodemfunctieklassenkaart om de bodemeisen voor de geplande functies te bepalen. De toetsing van de diffuse bodemkwaliteit bestaat uit twee onderdelen: Bepaal of er voor gevoelige gebruiksfuncties die worden gerealiseerd sprake is van humane risico’s (zie paragraaf 5.3). Bepaal of de diffuse bodemkwaliteit voldoet aan de toekomstige bodemfuncties van het plangebied. Als de diffuse bodemkwaliteit na beide onderdelen geschikt is voor het toekomstig gebruik/functie kan het bestemmingsplan zonder verdere maatregelen doorgang vinden. Als de diffuse bodemkwaliteit onvoldoende geschikt is voor het toekomstig gebruik wordt bepaald of sprake is van gebruiksbeperkingen en wordt de financiële haalbaarheid van het bestemmingsplan voor het thema Bodem getoetst in stap 4. Lokale verontreinigingen Beoordeel of voldoende bodemgegevens beschikbaar zijn over de lokale verontreinigingen binnen het plangebied om een uitspraak te kunnen doen over de aanwezigheid, aard en omvang van de verontreiniging. Bij onvoldoende gegevens dient een nader bodemonderzoek uitsluitsel te geven. Toets vervolgens de bestaande bodemgegevens over verontreinigingen aan de criteria in de Circulaire bodemsanering om te bepalen in hoeverre sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en/of onaanvaardbare risico’s aanwezig zijn. Aan de hand van de Circulaire Bodemsanering wordt bepaald of het saneringscriterium wordt overschreden en in welke mate de verontreiniging spoedeisend is. Op basis hiervan moet worden bepaald of er gesaneerd moet worden of dat kan worden volstaan met beheersmaatregelen. Er kunnen twee situaties worden onderscheiden: er is geen sprake van een geval van (ernstige) bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming. Daarnaast is de huidige diffuse bodemkwaliteit vergelijkbaar of schoner dan de regionale vastgestelde bodemkwaliteit (die is vastgesteld in de Bodemkwaliteitskaart). Dit betekent dat er geen belemmering is voor het toekomstig gebruik. Beschrijf de uitkomsten van de bodemtoets in een bodemparagraaf bij het bestemmingsplan; er is wel sprake van een geval van (ernstige) bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming of een diffuse bodemkwaliteit die slechter is dan de regionaal vastgestelde bodemkwaliteit. De aanwezigheid van een lokale verontreiniging, als gevolg van een puntbron, kan bij de realisatie van het bestemmingsplan aanleiding zijn voor het uitvoeren van sanering. Toets dan de financiële haalbaarheid van het bestemmingsplan. Stap 4 - Is het plan financieel haalbaar? De kosten van het verwerken van de bij het voorgenomen bestemmingsplan vrijkomende (diffuus) verontreinigde grond (denk aan aanleg/bouw van wegen en huizen) moet in de exploitatie van het bestemmingsplan worden opgenomen. Indien het voornamelijk gaat om diffuus verontreinigde grond is het vooral van belang om in de planfase rekening te houden met het streven naar een gesloten grondbalans. Daarvoor moeten vraag en aanbod van grond- en baggerstromen in kaart worden gebracht. Als sprake is van een lokale verontreiniging moet de saneringskosten in de exploitatieopzet van het bestemmingsplan zijn verwerkt. Het gaat om het identificeren en kwantificeren van de (financiële) risico’s. Daarnaast kan de bodemmedewerker een advies uitbrengen over uitgangspunten die meegenomen kunnen worden in het ontwerp om tot een efficiënte oplossing te komen voor de omgang met verontreinigde bodem. Neem een beschrijving van de uitkomsten van de bodemtoets op in een bodemparagraaf bij het bestemmingsplan.

Rechtspraak bij dit artikel