Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5 › Paragraaf 5.2

Artikel 5.2.2

STAPPENPLAN BODEMTOETS BOUWEN

Onderdeel van Nota bodembeheer regio MARN

Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten wordt voor de Bodemtoets door de gemeente het onderstaande stappenplan gebruikt: Stap 1 Is een bodemonderzoek noodzakelijk? De eerste stap is de beoordeling of gebruik gemaakt kan worden van een vrijstelling voor een bodemonderzoek. Hiervoor moet historisch onderzoek conform NEN 5725 worden uitgevoerd. Als uit het historisch onderzoek conform de NEN 5725 blijkt dat het bouwwerk wordt gerealiseerd op een terrein dat geheel onverdacht is, dan hoeft voor de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteiten geen bodemonderzoek worden uitgevoerd. Ook voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van bijgebouwen (niet verblijfsgebouwen), bouwwerken geen gebouw zijnde, tijdelijke gebouwen en kleine verblijfsgebouwen (<50 m2), hoeft geen bodemonderzoek uitgevoerd te worden. In alle andere gevallen moet een bodemonderzoek plaatsvinden. Wanneer er een bodemonderzoek aan de gemeente wordt overhandigd moet er ook een xml-bestand worden bijgevoegd wat voldoet aan de meest actuele versie van de SIKB0101 standaard en de Basisdataset onderzoeksgegevens. Stap 2 toets resultaten bodemonderzoek Als voor de aanvraag van de omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten het uitvoeren van een bodemonderzoek noodzakelijk is, worden de onderzoeksresultaten voor afgifte van de omgevingsvergunning getoetst op de (diffuse) bodemkwaliteit en op eventuele aanwezige lokale verontreinigingen. De uitkomst van deze toets kun de volgende zijn: De vergunning kan worden verleend. In het bodemonderzoek zijn voor de geanalyseerde stoffen in de grond geen concentraties gemeten die de klasse ‘wonen’ overschrijden. In het grondwater overschrijdt geen van de stoffen de tussenwaarde8 en is er geen aanleiding om een geval van ernstige grondwaterverontreiniging te verwachten. De vergunning wordt onder voorwaarden verleend. Dit kan leiden tot de volgende scenario’s. In het bodemonderzoek: overschrijden stoffen in de grond de klasse ‘wonen’, maar de interventiewaarden worden niet overschreden. De stoffen die voorkomen boven de klasse ‘wonen’ moeten worden getoetst met de Risicotoolbox (www.risicotoolboxbodem.nl/) op humane risico’s. Als uit deze toets komt dat de risico-index (RI) voor humane risico’s hoger is dan 1 en dit risico geldt voor het bebouwde deel, dan moet een plan van aanpak worden opgesteld dat ter goedkeuring aan de gemeente wordt overgelegd (voor eisen aan het plan, zie hoofdstuk 6). In dit plan van aanpak moet door de initiatiefnemer aangegeven worden hoe met het risico wordt omgegaan. Dit kan zijn door het treffen van saneringsmaatregelen, of door het afspreken van gebruiksbeperkingen of beheermaatregelen. Voor het onbebouwde deel van het terrein kan bij een RI>1 geen plan van aanpak worden afgedwongen, maar kan de gemeente besluiten een advies in de omgevingsvergunning op te nemen (zie stap 3). Als de risico-index lager is dan 1, dan kan de omgevingsvergunning zonder beperkingen worden afgegeven. overschrijden stoffen de interventiewaarden, maar is er geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging6Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging als de interventiewaarde wordt overschreden in meer dan 25 m³ grond of 100 m³ grondwater. In dat geval worden die stoffen die de interventiewaarde overschrijden getoetst met het programma Sansrit (www.risicotoolboxbodem.nl/sanscrit). Als uit de risicobeoordeling met Sanscrit blijkt dat er sprake is van een actueel risico, dan moet net als onder punt a) een plan van aanpak worden opgesteld dat ter goedkeuring aan de gemeente wordt overgelegd. In dit plan van aanpak moet door de initiatiefnemer aangegeven worden hoe met het risico wordt omgegaan. Dit kan zijn door het treffen van saneringsmaatregelen, of door het afspreken van gebruiksbeperkingen of beheersmaatregelen. Als er op basis van Sanscrit geen sprake is van een actueel risico, dan kan de omgevingsvergunning zonder beperkingen worden afgegeven. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De omgevings-vergunning voor de bouwactiviteit wordt op grond van artikel 52a Ww aangehouden tot het bevoegd gezag Wbb (provincie Gelderland) de BUS-melding op de te nemen saneringsmaatregelen7Als het geval van ernstige bodemverontreiniging geen onaanvaardbare risico’s met zich meebrengt, geldt formeel aanhouding tot acceptatie BUS-melding of beschikking Ernst en Spoedeisendheid (ESP). Omdat in de praktijk een saneringsplan nodig is in het kader van het bouwplan, wordt gewacht tot de beschikking op het saneringsplan is genomen. heeft geaccepteerd, of een beschikking op het saneringsplan heeft afgegeven. Artikel 52 is niet van toepassing op nieuwe gevallen van bodemverontreiniging. Als er in het geheel geen zicht is op sanering is de conclusie dat de bodem niet geschikt is. De omgevingsvergunning wordt dan geweigerd. Wanneer voldoende zicht bestaat op het binnen redelijke termijnen beschikbaar komen van een goedgekeurd saneringsplan, kan de omgevingsvergunning worden verleend onder voorwaarden dat vooruitlopend op de bouw een bodemsanering plaatsvindt (tot die tijd geldt dan ook de aanhoudingsplicht). Bestaat hierover onvoldoende zekerheid en zijn de risico’s te groot, dan geldt het advies de omgevingsvergunning te weigeren. Op pagina 45 wordt deze toetsing nog eens schematisch weergegeven: Aanhoudingsplicht artikel 52 a Woningwet In situaties met een redelijk vermoeden dat sprak is van een geval van ernstige bodemverontreiniging kunnen burgemeester en wethouders de bouwaanvraag aanhouden op grond van artikel 52a van de Woningwet (Ww). Conform artikel 8 Ww dient dan wel sprake te zijn van bouwwerken waarin mensen verblijven. Artikel 52 is niet van toepassing op nieuwe gevallen van bodemverontreiniging. Er is sprake van een vermoedelijk geval van ernstige bodemverontreiniging bij een overschrijding van de tussenwaarde8(AW2000+interventiewaarde)/2 in een verkennend bodemonderzoek. De tussenwaarde is in beginsel de grens waarboven nader onderzoek moet worden uitgevoerd, teneinde onder andere vast te stellen wat de omvang en daarmee de ernst van een verontreinigingsgeval is. Het besluit tot aanhouding van de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning moet worden genomen binnen 2 weken na ontvangst daarvan. Als de beslissing niet binnen deze termijn is genomen en uit een onderzoeksrapport blijkt dat de bodem (mogelijk) ernstig verontreinigd is, dan wordt omgevingsvergunningsaanvraag van rechtswege aangehouden. In de volgende situaties kan de aanhoudingsplicht worden opgeheven: het bevoegd gezag Wbb heeft ingestemd met de BUS-melding9Zodra een BUS-melding door het bevoegd gezag Wbb is geaccepteerd, moet het college van B&W de omgevingsvergunning verlenen. Zij kan aan die vergunning de voorwaarde verbinden dat met de uitvoering van de bouwplannen pas mag worden gestart na goedkeuring van het evaluatieverslag van de sanering. Dit is van belang omdat bij het verlopen van de geldigheid van de BUS-melding de omgevingsvergunning niet kan worden ingetrokken.; het bevoegd gezag Wbb heeft in een beschikking vastgesteld dat er sprake is van een geval van ernstige, maar niet spoedeisende, bodemverontreiniging; het bevoegd gezag Wbb heeft in een beschikking vastgesteld dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, waarvan sanering spoedeisend is. Verder heeft het bevoegd gezag Wbb beschikt op een (deel)saneringsplan. het bevoegd gezag Wbb heeft vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Stap 3 advies bodemmedewerker voor bouwvergunning De conclusie van de bodemtoets formuleert de bodemmedewerker als bindend advies, zodat de bouwvergunningverlener vervolgens kan bepalen of de vergunning kan worden verleend of moet worden aangehouden. Als de bodemkwaliteit alleen voor de beoogde functie geschikt is onder voorwaarden, dan zal de bodemmedewerker dat in zijn advies aangeven wat de voorwaarden zijn waaronder de bouwvergunning kan worden verleend. Als er sprake is van humane risico’s op basis van de Risicotoolbox, zijn de risico’s veelal niet voor het gebruik van het bebouwde gedeelte, de contactmogelijkheden worden door de bebouwing immers afgeschermd, maar voor het overige terreindeel. Voor het overige terreindeel kunnen geen maatregelen worden afgedwongen, maar vervuld de gemeente een adviserende rol. Zo kan men bij het optreden van humane risico’s adviseren geen groente te telen in de tuin, of een leeflaag aan te brengen. Afbeelding 5.1 Stroomschema toets bodemonderzoeken

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel