Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6 › Paragraaf 6.2

Artikel 6.2.1

NIEUWE GEVALLEN VAN BODEMVERONTREINIGING

Onderdeel van Nota bodembeheer regio MARN

Met de inwerkingtreding van de Wet bodembescherming in 1987 kent Nederland een algemeen beschermingsniveau en is het veroorzaken van bodemverontreiniging verboden. Er is sprake van een nieuwe bodemverontreiniging als de verontreiniging is ontstaan na 1 januari 1987 en de bodemkwaliteit zoals vastgelegd in de bodemkwaliteitskaart (lokale achtergrondwaarde), wordt overschreden. Als de locatie niet is opgenomen in de bodemkwaliteitskaart geldt de AW 2000-waarde. Het zorgplichtbeginsel verplicht degene die handelingen verricht waardoor de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, om de bodem te saneren en de directe gevolgen zo veel mogelijk ongedaan te maken. Het zorgplichtbeginsel is vastgelegd in artikel 13 Wbb en artikel 1.1a van de Wet milieubeheer (Wm). Ongewoon voorval Als de verontreiniging het gevolg is van een ongewoon voorval (kantelen vrachtauto, stuktrekken leiding e.d.) moeten de maatregelen zo spoedig mogelijk worden genomen. De veroorzaker van het ongewoon voorval, danwel degene die bij de handeling betrokken is, moet dit conform artikel 27 Wbb melden bij het bevoegd gezag Wbb. Het melden van ongewone voorvallen binnen inrichtingen vinden plaats aan het bevoegd gezag Wm, die het bevoegd gezag Wbb hiervan in kennis moet stellen als het ongewone voorval heeft geleid tot verontreiniging of aantasting van de bodem. Als het een geval is waar direct handelen vereist is, dan is het zaak dat de verontreiniging direct wordt ontgraven. Voorafgaand bodemonderzoek kan dan achterwege worden gelaten. De ontgravingsgrenzen worden tijdens de sanering vastgesteld. Indien sprake is van een situatie waar direct handelen niet nodig is, dient de veroorzaker bodemonderzoek uit te voeren geënt op verontreinigingsituatie (maatwerk). Het bureau dat het onderzoek heeft uitgevoerd, moet dan in het kader van de Kwalibo-regeling erkend te zijn door SenterNovem/Bodemplus (thans Agentschap NL). bevoegdheidsverdeling Voor nieuwe gevallen van bodemverontreiniging geldt sinds 2001 dat zowel de gemeente, provincie, rijk als de waterkwaliteitsbeheerder bevoegde gezagen zijn en daarover met elkaar afspraken moeten maken. In het Gelders bodemberaad zijn in 2007 hierover de volgende richtinggevende werkafspraken gemaakt. Deze afspraken zijn opgenomen in de Beleidsnota Bodem 2008, deel 2. Buiten inrichtingen Voor handhaving van onder meer artikel 13 Wbb buiten inrichtingen zijn de overheden gelijkwaardig bevoegd. Daarbij geldt de volgende taakverdeling: Het bevoegd gezag waar de melding binnenkomt is aanspraakpunt. De gemeenten kunnen ter ondersteuning een beroep doen op de provincie. De kwaliteitsbeheerder is aanspreekpunt bij slib op oevers of dammen in watergangen. De provincie is het aanspreekpunt voor het dempen van watergangen. Het ministerie van I&M is aanspreekpunt om handhavend op te treden bij het storten van afval. Binnen inrichtingen De hoofdregel voor de handhaving binnen inrichtingen blijft dat het bestuursorgaan dat het bevoegd gezag is in het kader van de Wm tot taak heeft zorg te dragen voor de handhaving. Dit geldt ook voor nieuwe gevallen van bodemverontreiniging binnen inrichtingen. Saneringsuitvoering De sanering van nieuwe gevallen valt onder de Kwalibo regelgeving. Dat betekent dat de aannemer en de milieukundige begeleiding gecertificeerd dienen te zijn voor de BRL-7000 respectievelijk BRL-6000. In het Gelders bodemberaad is afgesproken dat een nieuwe verontreiniging in principe in zijn geheel moet worden weggenomen tot het niveau van de vastgesteld gebiedseigen bodemkwaliteit (zie § 4.5.4), danwel de streefwaarde als de locatie niet is opgenomen in de bodemkwaliteitskaart. Er zijn echter situaties waarbij het niet redelijk is om een volledige sanering te verlangen, bijvoorbeeld als de verontreiniging zich deels of geheel onder een gebouw bevindt. Als de veroorzaker niet bekend is mag worden teruggevallen op de saneringsparagraaf van de Wbb en mag functiegericht en kosteneffectief worden gesaneerd. Als een saneerder niet volledig kan saneren moet een saneringsonderzoek worden opgesteld en aan het bevoegd gezag worden overgelegd. Wanneer restverontreiniging achterblijft, moet in het plan van aanpak worden aangegeven hoe en door wie de verontreiniging op termijn wordt verwijderd en beheerd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel