Wettelijk kader
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de veiligheid van een speeltoestel als (1) zij zelf eigenaar zijn van een openbaar toegankelijk speeltoestel, (2) een bouwvergunning hebben afgegeven voor het speeltoestel of (3) het speeltoestel van een particuliere eigenaar op gemeentegrond is aangebracht.
Het 'warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen' bevat regels voor ontwerp, constructie, beheer en onderhoud van speeltoestellen.
De gemeente is verantwoordelijk voor het onderhoud van de speeltoestellen.
De Voedsel- en Warenautoriteit (VWA) is belast met de controle en inspectie van de veiligheid van speeltoestellen.
Beleid gemeente Achtkarspelen
Uit de speelplaatsennota uit 1999 komen de volgende kernpunten naar voren:
De gemeente zorgt voor het renoveren van speelterreinen. Gelet op het besluit Veiligheid van Attractie en speeltoestellen kan hier geen sprake van zelfwerkzaamheid zijn.
De gemeente pleegt overleg met de verenigingen van Plaatselijk Belang en/of betrokken buurtverenigingen over geschikte locaties.
De gemeente verzorgt de inkoop van speeltoestellen en voert de regie bij de inrichting.
De norm die in 1999 is vastgesteld voor de aanleg van een gesubsidieerd speelterrein was 1 speelplaats per 1000 inwoners.
Wat zien we?
De gemeente Achtkarspelen heeft in totaal 68 speelterreinen, 285 speeltoestellen, verdeeld over de 11 dorpen. Het merendeel van de speelterreinen is bouwtechnisch goed tot zeer goed, een aantal voldoende. In het kader van eerdere bezuinigingen is het afschrijvingstermijn van de speeltoestellen verlengd van 10 jaar naar 15 jaar. Naast de kosten in onderhoud zijn er ook personele kosten voor het controleren en onderhouden van de speeltoestellen. Deze kosten zijn niet meegenomen in het financieel overzicht gezien het feit deze kosten niet zijn begroot, maar het is wel een kostenpost.
Aanbevelingen
Kwaliteit boven kwantiteit
Het onderhoud en het voldoen aan de veiligheidsnorm vergt veel inzet en kosten. Door ervoor te kiezen de kwaliteit van de plekken op peil te houden binnen het bestaande of een lager budget, betekent dat minder speelplekken in stand gehouden kunnen worden. Dus, afgeschreven speeltoestellen worden niet allemaal vernieuwd. Per dorp is minstens één goed speelterrein beschikbaar. We kiezen voor één (of in grote dorpen enkele) goed speelterrein in plaats van velen. Dat leidt bovendien tot meer ontmoeting bij overgebleven toestellen, en tot besparing in materiaal, onderhoud en inzet van personeel.