Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.10

Artikel 4.10.1

Gebruik van de bodemkwaliteitskaart

Onderdeel van Nota bodembeheer

De bodemkwaliteitskaart kan niet als bewijsmiddel worden gebruikt als: De toe te passen partij grond afkomstig is van een verdachte locatie; Als sprake is van bijzondere omstandigheden; of Als de grond zintuiglijk opvallende afwijkingen vertoont (onverwachte situaties). A: Verdachte locaties Onder 'verdachte locaties' worden verstaan: locaties waar (bedrijfs-)activiteiten hebben plaatsgevonden waarvan bekend is, of het vermoeden bestaat, dat de bodemkwaliteit op de betreffende locatie (mogelijk) afwijkt van die van de omgeving. Voorbeelden hiervan zijn (de lijst is niet uitputtend): Bekende en potentiële lokale gevallen van bodemverontreiniging (Wbb-locaties), niet behorende tot de diffuse bodemverontreiniging; Bodemsanering in uitvoering; Restverontreiniging na bodemsanering; De ondergrond ter plaatse van saneringslocaties; Lokaal aangebrachte leeflagen; Tanklocaties; Erven in het buitengebied; Slootdempingen; Lokaal aanwezige (historische) ophooglagen. Van de boven- en ondergrondzones van “Oude bebouwing en kern na 1970 Eijsden” en “Eijsden kern voor 1970” wordt verwacht dat ofwel de bodemkwaliteit niet voldoen aan de norm voor Industrie (niet toepasbaar), ofwel dat er een hoge heterogeniteit aanwezig is. Om deze reden kan de bodemkwaliteitskaart voor deze zone niet gebruikt worden als bewijsmiddel voor de ontgravingskwaliteit. Wanneer bodemonderzoek op een verdachte locatie heeft uitgewezen dat er geen sprake is van bodemverontreiniging, en daarnaast de milieuhygiënische kwaliteit vergelijkbaar is met het omliggende gebied, wordt deze locatie niet meer aangemerkt als verdacht. B: Bijzondere omstandigheden Een bijzondere omstandigheid doet zich voor wanneer bekend is dat de bodemkwaliteit op de herkomstlocatie (mogelijk) afwijkt van de omgeving. Veelal zal het gaan om: Bekende en potentiële lokale gevallen van bodemverontreiniging, niet behorende tot de diffuse bodemverontreiniging; Bodemsanering in uitvoering; Restverontreiniging na bodemsanering; Lokaal aangebrachte leeflagen; Lokaal aanwezige (historische) ophooglagen; De ondergrond ter plaatse van saneringslocaties. C: Onverwachte situaties Het kan voorkomen dat, ondanks dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden, tijdens de graafwerkzaamheden op de locatie van herkomst alsnog een (mogelijke) afwijking van de bodemkwaliteit wordt geconstateerd. Een onverwachte situatie doet zich voor indien: De grond een afwijkende kleur, geur of samenstelling heeft; De grond een bijmenging aan bodemvreemde materialen bevat (puin, gruis, kooltjes, etc.) op basis waarvan wordt verwacht dat de bodemkwaliteitskaart niet meer representatief is voor de milieuhygiënische kwaliteit, dan wel waarvan men redelijkerwijs kan vermoeden dat deze het milieu negatief kan beïnvloeden; In de grond visueel asbest wordt aangetroffen. Een onverwachte situatie dient in alle gevallen te worden geregistreerd en gemeld bij de gemeente. Als sprake is van een (vermoedelijk) geval van ernstige bodemverontreiniging, dient hiervan melding te worden gedaan bij het bevoegd gezag Wbb dan wel Omgevingswet. Historisch onderzoek Teneinde uit te sluiten dat de locatie van herkomst als 'verdacht' ten aanzien van bodemverontreiniging moet worden bestempeld, dient voorafgaand aan het toepassen van grond of baggerspecie altijd een vooronderzoek overeenkomstig de NEN 5725 uitgevoerd te worden. Volgt uit het historische onderzoek dat sprake is van een situatie als hierboven beschreven, dan kan de betreffende bodemkwaliteitskaart niet als bewijsmiddel worden gebruikt voor de milieuhygiënische kwaliteit van de vrijkomende grond (en/of de ontvangende bodem). In dat geval dient de milieuhygiënische kwaliteit op een andere wijze te worden aangetoond. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van één van de bewijsmiddelen zoals beschreven in dit hoofdstuk. Bodemkwaliteitskaart van regio Heuvelland Het gebruik van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel bij grondverzet is mogelijk onder voorwaarden: Het moet aantoonbaar zijn dat de grond die wordt toegepast afkomstig is uit een van de bodemkwaliteitszones van de bodemkwaliteitskaart. De zones “Oude bebouwing en kern na 1970 Eijsden” en “Eijsden kern voor 1970” zijn hiervan uitgezonderd, vanwege ofwel een hoge heterogeniteit ofwel het niet voldoen aan de functienorm van het gemiddelde (niet toepasbaar); Het moet aantoonbaar zijn dat de toe te passen partij grond afkomstig is uit een bodemlaag die is gedefinieerd in de bodemkwaliteitskaart; Op de locatie mogen geen bodemverontreinigende activiteiten hebben plaatsgevonden (onverdachte locatie); Als de partij ook is voorzien van een ander geldig bewijsmiddel (partijkeuring of erkende kwaliteitsverklaring) dan geldt het andere bewijsmiddel als milieuhygiënische verklaring, omdat deze een directere uitspraak doet over de kwaliteit van de betreffende partij grond of baggerspecie. Om aan voorwaarde 3 te voldoen dient een vooronderzoek, conform NEN5725/NEN5707 te worden uitgevoerd. Dit onderzoek dient te voorkomen dat grond afkomstig van verdachte locaties zonder onderzoek elders wordt toegepast. Op basis van dit vooronderzoek dient ook bepaald te worden of de locatie asbestverdacht is. Indien uit het vooronderzoek volgt dat sprake is van een verdachte locatie, dan dient minimaal een verkennend bodemonderzoek (conform NEN 5740/NEN5707) uitgevoerd te worden. Indien de gemeten gehalten voldoen aan de toepassingsnorm, kan aan voorwaarde 3 worden voldaan. Ter plaatse van de verschillende zones is sprake van een verhoogde heterogeniteit of een gemiddelde kwaliteit boven interventiewaarde. Het gaat hierbij om de zones “Oude bebouwing en kern na 1970 Eijsden” en “Eijsden kern voor 1970”. Voor deze zones is het gebruik van de bodemkwaliteitskaart niet toegestaan als erkend bewijsmiddel en is altijd aanvullend bewijs noodzakelijk (zoals een onderzoek/partijkeuring).

Rechtspraak bij dit artikel