Gebiedstypering en ambitie
Het poldergebied in het noorden van de gemeente bestaat ruimtelijk gezien uit twee delen: de dynamische verkaveling langs de Gelderse IJsseldijk en de lange, orthogonale (noordwest-zuidoost) verkaveling van de Polder Hattem aan de westzijde. Deze delen worden door de Oude Middelwetering van elkaar gescheiden. Het agrarische productielandschap bevindt zich in de grootschalige polder aan de westzijde. Kleinschaliger woningen en boerenbedrijven zijn aan de dijk te vinden. Opvallend element is de zandafgraving die is gevuld met water, aan de Oostersedijk. De polder is vlak en de open ruimte wordt gezoomd met bomenlaantjes, die de verkavelingsstructuur volgen en vanaf ooghoogte zichtbaar maken.
De hoofdfunctie van het gebied is rundveehouderij, die inmiddels dermate intensief is dat de aan dit soort gebieden gebonden natuurwaarden (zoals weidevogels) uiterst schaars zijn geworden, vanuit het oogpunt van ecologie gezien is dit gebied helaas niet meer waardevol.
Het gebied, gekenmerkt door een open landschap met zicht op het Veluwemassief, is begrensd door de A50/N50 in het westen en door de Geldersedijk in het oosten. De Zuiderzeestraatweg, de rijksweg A28 met knooppunt Hattemerbroek en de spoorlijn Amersfoort-Zwolle doorkruisen het gebied. Het bedrijventerrein Netelhorst is in dit gebied gesitueerd, tussen de spoorlijn en de Zuiderzeestraatweg. Langs en achter de Geldersedijk komen meer blokvormige percelen voor met historische agrarische bebouwing. De bestaande bebouwing, tussen de Gelderse-dijk en de Oude Middelwetering, stamt grotendeels uit het begin van de negentiende eeuw. De openheid en het groene karakter van de voorerven en lage erfafscheidingen aan de openbare ruimte zijn beeldbepalend. De oorspronkelijke bebouwing in dit gebied is van het kleinschalig hallehuis-type. De nog aanwezige historische bebouwing bevindt zich grotendeels achter en langs de Geldersedijk. Sinds de tweede helft van de negentiende eeuw zijn de dichtheid en de locatie van de bebouwing nauwelijks veranderd. Wel zijn in bepaalde gevallen de oorspronkelijke gebouwen vervangen door nieuwe bebouwingsvormen. Bij de agrarische bedrijven is het hoofdgebouw gelegen aan de ontsluiting, met de schuren achter de voorgevelrooilijn en evenwijdig aan of haaks op de weg. De hoofdgebouwen bestaan meestal uit één laag met kap en zijn opgetrokken uit lichtrode tot donkerrode baksteen. Bij de recente gebouwen zijn de kappen eenvoudige zadeldaken bedekt met donkere pannen en bij de oorspronkelijke bebouwing van het type klein hallenhuis zijn de gevels meestal wit gepleisterd. Deze zijn nog voorzien van een rieten kap met oranje nokpannen. De dakranden en het houtwerk zijn over het algemeen in wit geschilderd.
Bij het ontwerpen van deze initiatieven moeten de volgende vuistregels worden aangehouden:
Verkaveling:
erven blijven compact en bebouwing wordt geclusterd rond een gemeenschappelijke ruimte;
behoud de samenhang en de hiërarchie van de bebouwing op het erf;
behoud de hiërarchie in voorerf - achtererf
bebouwing wordt loodrecht of haaks op de rijweg geplaatst;
het hoofdgebouwen staat los van bijgebouwen;
bijgebouwen staan ruim achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw;
door vormgeving en materiaalgebruik onderscheidt het hoofdgebouw zich. Het hoofdgebouw is hoger dan de bijgebouwen, heeft deze een rijkere detaillering en een afwijkend kleurgebruik.
Gebouwen:
Massa:
hoofdgebouw:
nokhoogte: maximaal 2.5 lagen
goothoogte: laag, max 4.2 meter
kapvorm: zadeldak; schilddak (met eventueel wolfseinden). Nok haaks of parallel aan de rijweg.
bijgebouw
nokhoogte: maximaal 2 lagen
goothoogte: laag, maximaal 3.2 meter
kapvorm: zadeldak; schilddak (met eventueel wolfseinden); lessenaarskap (evt. met asymmetrische nok); schild- of piramidekap.
Vormgeving
aanpassingen, wijzigingen en toevoegingen van en aan hoofdgebouwen en bijgebouwen zijn in overeenkomst met de bestaande stijl, architectuur en detaillering;
hergebruik de bestaande, gebiedskarakteristieke bebouwing;
nieuwe bebouwing sluit aan op de bestaande landelijke bebouwingstypologie;
toevoegingen of aanpassingen sluiten aan op de typologie en stijl van het hoofdgebouw;
bijgebouwen verschillen van het hoofdgebouw wat materiaal betreft.
Materiaal
gevels: traditioneel kleurgebruik; landelijk, natuurlijk uitziend materiaalgebruik zoals baksteen, hout.
kap: keramische pannen of riet.
Erven:
Erfafscheiding:
houd de voortuinen open en groen;
erfafscheidingen bestaan uit streekeigen hagen. Beperk de hoeveelheid hekwerken en muurtjes. Geen gebouwde erfafscheidingen, deze horen van oudsher niet in het buitengebied;
achterzijde: rasters zijn toegestaan aan de achterzijde van het erf, deze passen bij de informele landelijke sfeer.
Inrichting erf
bij functiewijzigingen wordt de traditionele erfopbouw gehandhaafd met een duidelijk onderscheid tussen voorgevel met siertuin of kruidentuin en overig erf met boomgaard of weides;
versterk het contrast tussen het erf en het open landschap met erfbeplanting;
minimaal één grote boom met voldoende ruimte op het erf;
verrijk het erf met meerdere bomen;
behoud het karakteristieke profiel van de rijweg of dijk;
maak één duidelijke hoofdentree/inrit per erf;
beperk de hoeveelheid verharding en kies voor natuurlijke materialen (grind, gebakken klinkers);
zorg voor voldoende parkeer- en manoeuvreerruimte op het erf, achter de voorgevelrooilijn;
minimaliseer verharding aan de voorzijde;
geen parkeerplekken voor de voorgevel van het hoofdgebouw.
Hoofdstuk 6
Artikel 6.1
Het poldergebied
Onderdeel van Beleidsregel afwegingskader buitengebied Hattem