Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 11:

aflossingshoogte vordering

Onderdeel van Beleidsregels Terugvordering en Verhaal 2023 gemeente Albrandswaard

1.. De hoogte van het aflossingsbedrag voor de schuldenaar met een inkomen op bijstandsniveau wordt vastgesteld op: indien het een geldlening betreft: 5% van de (theoretisch) van toepassing zijnde bijstandsnorm (incl. vakantietoeslag); indien het een andere vordering betreft: het bedrag waarmee de uitkeringsaanspraken de van toepassing zijnde beslagvrije voet (90% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (incl. vakantietoeslag)) te boven gaat; De hoogte van het aflossingsbedrag voor de schuldenaar met een inkomen dat hoger is dan 110% van de theoretisch van toepassing zijnde bijstandsnorm (inclusief vakantietoeslag) wordt vastgesteld op 50% van de netto normoverschrijding van 110%. 2.. In afwijking van het gestelde in lid 1 sub c, wordt een belanghebbende die een Participatiewet-, IOAW-, IOAZ- of Bbz-uitkering heeft ontvangen – wat betreft de hoogte van de vast te stellen aflossingsverplichting – gedurende een periode van 12 maanden na beëindiging van de uitkering gelijkgesteld met een Participatiewet-, IOAW-, IOAZ- of Bbz-uitkeringsgerechtigde. 3.. Aflossing van leenbijstand, als er sprake is van bijzondere bijstand, vindt gedurende 36 maanden plaats, als de volledige aflossingscapaciteit gedurende die periode is ingezet voor de aflossing en de aflossing gedurende 36 maanden aaneengesloten heeft plaatsgevonden. Indien de termijn van terugbetaling minder dan 3 jaar bedraagt, kan het te hanteren percentage volgens lid 1 sub a en c lager worden vastgesteld. 4.. De maximale aflossingsduur voor het terugbetalen van bedrijfskapitaal op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz2004) dat in de vorm van een geldlening is verstrekt wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004. De verschuldigde rente wordt gelijkgesteld aan het door het ministerie van SZW vastgestelde percentage. 5.. Indien omstandigheden gelegen in persoon of gezin daartoe aanleiding geven kan van lid 1 en 3 worden afgeweken. 6.. In afwijking van het bepaalde in lid 1 tot en met 5, kan zonder nader draagkrachtonderzoek akkoord worden gegaan met een betalingsregeling indien de vordering daardoor binnen een redelijke termijn zal zijn voldaan, volgens onderstaande richtlijn: vordering in Euro’s aflossingstermijn <€ 1.500 12 maanden € 1.500 tot € 3.600 24 maanden € 3.600 tot € 7.200 36 maanden € 7.200 tot € 10.000 48 maanden >€ 10.000 60 maanden 7.. Indien een betalingsregeling wordt getroffen als bedoeld in lid 6, kan niet worden afgezien van verdere terugvordering op grond van het bepaalde in artikel 9 en 10 van deze beleidsregels. Toelichting De hoogte van het aflossingsbedrag is afhankelijk van de soort vordering en het inkomen van de schuldenaar. In geval een geldlening wordt teruggevorderd van een schuldenaar met een inkomen op minimumniveau bedraagt het aflossingspercentage 6% van de toepasselijke bijstandsnorm (inclusief vakantietoeslag en rekening houdend met eventuele toeslagen en / of verlagingen). Met het percentage van 6% wordt beoogd gelijke tred te houden met een reguliere kredietverstrekker. Het reguliere circuit wordt als voorliggende voorziening aangemerkt maar als het de belanghebbende niet mogelijk is hiervan gebruik te maken, kan een geldlening worden verstrekt door de gemeente. Het ligt voor de hand hierbij een evenredige bezwaring te hanteren. In geval uit andere hoofde dan een geldlening wordt teruggevorderd van een schuldenaar met een inkomen op minimumniveau bedraagt de aflossing het bedrag waarmee de uitkeringsaanspraken de van toepassing zijnde beslagvrije voet (90% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (incl. vakantietoeslag)) te boven gaat. Indien de schuldenaar een inkomen heeft dat hoger is dan 110% van het minimumniveau, wordt de aflossingshoogte vastgesteld op 50% van het verschil tussen het inkomen van de schuldenaar en deze toepasselijke bijstandsnorm, zowel in geval van terugvordering van een geldlening als in geval van terugvordering uit andere hoofde. Hiermee wordt bewerkstelligd dat werken lonend is, ook op dit gebied. Immers, de bijstandsgerechtigde houdt slechts 90% over van de toepasselijke bijstandsnorm, de werkende houdt daarvan 110% over plus nog 50% van de inkomsten boven het minimum. In geval de vordering het gevolg is van verstrekt bedrijfskapitaal, wordt aansluiting gezocht bij de Bbz en wordt de maximale aflossingsduur bepaald op 10 jaar. Gedurende de aflossingsperiode is (dag)rente verschuldigd over het totale uitstaande bedrag. Deze rente wordt vastgesteld op het percentage dat het ministerie van SZW hanteert op het moment van verstrekking van het bedrijfskapitaal. Aangezien in de Participatiewet de aflossingshoogte niet is afgebakend is het mogelijk zowel ten voordele als ten nadele van de schuldenaar het aflossingsbedrag bij te stellen. Er dient wel rekening mee gehouden te worden dat het niet afbakenen in de Participatiewet is ingegeven door de 100% financiële verantwoordelijkheid die de gemeenten krijgen en de daarmee gepaard gaande deregulering. Daar is niet mee beoogd een inbreuk te maken op de binnen de Participatiewet bestaande praktijk dat de aflossingsbedragen zodanig worden vastgesteld dat die voor de belanghebbende niet onevenredig bezwarend zijn. De mogelijkheid bestaat bovendien om in afwijking van het voorgaande een regeling te treffen. Dit bevordert de effectiviteit en voorkomt onnodige heronderzoeken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel