In 1843 werd het octrooi afgegeven aan de ‘Maatschappij tot Inpoldering en bebouwing van der Waard- en Groetgronden in Noord-Holland’. Hierna werd gestart met de aandijking van de Waardpolder aan de Wieringerwaardpolder. De Groetpolder werd aangedijkt aan de Westfriese Omringdijk bij Kolhorn. Door de drooglegging van deze polders lag Kolhorn niet meer aan de Zuiderzee.
De vorm van de Waard- en Groetpolder is bepaald aan de hand van bestaande lijnen in het landschap en het reliëf van de zeebodem. Door de drooglegging van de Wieringerwaardpolder in 1611, waren de omliggende gronden door slib hoger komen te liggen. Dit maakte het gebied zeer geschikt om in te polderen. Op ongeveer 2 km van de zeedijk van Wieringerwaard lag een zand- en schelpenbank. Op deze ophoping in de zeebodem werd de dijk aangelegd die de Waard- en Groetpolder afscheidde van de Zuiderzee.
In het aangeslibde land waren door stroming geulen ontstaan zoals op de plaats van het Kolhornerdiep. Dit werd daarom niet ingepolderd en moest dienen als toegang van de Zuiderzee naar de haven van Kolhorn. Voor de bemaling werden molens gebruikt. In de Waardpolder zijn nog altijd de resten van de poldermolen aanwezig in de grond. Hoewel de polders al in 1844 voor het eerst droogvielen waren de dijken pas in 1877 hoog genoeg om weerstand te bieden tegen de zeestormen. Er was telkens onvoldoende geld om meteen goede dijken aan te leggen.
De verkaveling van beide polders is gecentreerd in de lengterichting van de polder. Een middenlint doorkruist de polder. Dat zijn de Waardpolderhoofdweg en de Groetpolderweg. De kavels kregen een vaste lengte- breedteverhouding, door de ruilverkaveling is dit op sommige plaatsen verdwenen.
2.4.2.1.Kwaliteit Waard- en Groetpolder
De karakteristieke verkavelingspatronen met vaste lengte- en breedteverhoudingen aan het middenlint.
Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.4.
Artikel 2.4.2.
Waard- en Groetpolder
Onderdeel van Erfgoedvisie Hollands Kroon van de gemeente Hollands Kroon 2023