In 1845 werd gestart met de drooglegging van de Anna Paulownapolder. Het Hoge- en Lage Oude Veer verdeelt de polder in tweeën. Dit is de hoofdgeul van een voormalig getijdengebied met kreken en kwelders.
De bedijking van zowel de Westpolder als de Oostpolder was in 1846 klaar. Pioniers uit Gelderland waren de eerste bewoners. Zij woonden in arbeiderswoningen, of een ‘Gelders huisje’. De verkaveling van de polder volgt rechte lijnen. Maar omdat de hoofdwegen deels op hogere kreekruggen werden aangelegd, ontstonden soms schuine doorsnijdingen op het geometrische patroon.
De Oostpolder was vooral een akkerbouwgebied met pootaardappelen. De open ruimtes zijn wijds in een langgerekte vorm die door de lintbebouwing worden begrensd, net zoals in de Wieringerwaardpolder.
De Westpolder bestond uit een droge en ziltige zandgrond. De Gelderse pioniers hadden een zwaar bestaan vanwege de lage opbrengsten uit de landbouw. Op de zilte gronden werden wat schapen gehouden.
Begin 20ste eeuw bleek de zandige grond van de Westpolder zeer geschikt voor bloembollenteelt. Dit groeide uit tot het grootst aaneengesloten bollengebied van Nederland. Door de lintbebouwing zijn de open ruimte in de Westpolder begrensd tot blokken. De erfbeplanting is in veel gevallen summier. Dat valt te verklaren om de kans op ziektes en plagen op de bolgewassen te voorkomen.
Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.4.
Artikel 2.4.3.
Anna Paulownapolder
Onderdeel van Erfgoedvisie Hollands Kroon van de gemeente Hollands Kroon 2023