De burgemeester stelt vast of een aanvrager, exploitant, leidinggevende of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is, op basis van:
a. feiten en omstandigheden die erop wijzen dat de aanvrager, exploitant, leidinggevende of beheerder in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de vergunning wordt aangevraagd dan wel is gegeven;
b. Het tijdsverloop tussen strafbare feiten en de aanvraag;
c. Als er sprake is van meerdere strafbare feiten, het tijdsverloop tussen de strafbare feiten;
d. De ernst van de gepleegde strafbare feiten; en
e. Het aantal gepleegde strafbare feiten.