1. Onder feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 1 die erop wijzen dat aanvrager, exploitant, leidinggevende of beheerder in relatie staat tot één of meer strafbare feiten, wordt verstaan:

a. een veroordeling wegens een strafbaar feit;

b. een onherroepelijke strafbeschikking;

c. het vervallen van het recht tot strafvordering op grond van een transactie als bedoeld in artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht;

d. een onherroepelijke beschikking tot het opleggen van een bestuurlijke boete;

e. een beschikking tot het opleggen van een bestuurlijke boete waartegen beroep is ingesteld, waarop de bestuursrechter in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan;

f. een onherroepelijke beschikking tot het opleggen van een last onder bestuursdwang (daaronder valt mede een last onder dwangsom); en

g. een beschikking tot het opleggen van een last onder bestuursdwang (daaronder valt mede een last onder dwangsom) waartegen beroep is ingesteld, waarop de bestuursrechter in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan.

2. Een aanvrager, exploitant, leidinggevende of beheerder staat niet in relatie tot strafbare feiten, indien:

a. hij voor het strafbaar feit niet wordt vervolgd of de vervolging niet wordt voortgezet; of

b. hij voor het strafbare feit is vrijgesproken of ontslagen is van alle rechtsvervolging.