Afvalscheiding en recycling
Afvalscheiding en recycling van grondstoffen staat hoog op de agenda in Nederland. In het Landelijk afvalbeheerplan (LAP3) staat de doelstelling van het afvalbeleid in Nederland en het beleid voor afvalpreventie en afvalbeheer. De doelstellingen zijn het beperken van het ontstaan van afvalstoffen, beperken van milieudruk van productieketens en het optimaliseren van de inzet van afvalstoffen in een circulaire economie. Dit moet opleveren dat er geen afval meer is en grondstoffen steeds opnieuw gebruikt worden, zonder problemen te verplaatsen naar andere gebieden of af te wentelen op toekomstige generaties.
Provincie Overijssel wil groeien naar een circulaire economie, waar een circulaire kunststofketen onderdeel van uitmaakt. Een economie gericht op hergebruik van grondstoffen en producten, het voorkomen van afval en het gebruik van hernieuwbare energie. De veertien Twentse gemeenten streven naar een verdere verbetering van de recycling, oftewel een circulaire economie waarin grondstoffen worden hergebruikt. Het motto hierbij is: “van afval naar grondstof’. Een van de aandachtspunten hierbij is het gedrag van alle betrokken partijen.
Energiebesparing en transitie
Op 28 juni 2019 publiceerde het kabinet het Klimaatakkoord: de Nederlandse uitwerking van de internationale klimaatafspraken van Parijs (2015). We gaan met elkaar de CO2-uitstoot sterk verminderen: in 2030 de helft ten opzichte van 1990.
De Regionale Energiestrategie (RES) Twente verwacht dat het haalbaar is om 1,5 Terawattuur (TWh) duurzaam op te wekken in 2030. Dat is meer dan het gemiddelde per regio als wordt uitgegaan van de 35 TWh die landelijk is afgesproken. Vanwege het landelijke karakter heeft Twente relatief veel ruimte in vergelijking met de meer stedelijke regio’s.
Om te komen tot een energieneutraal Twente spelen vijf grote uitdagingen:
Het creëren van bewustwording en draagvlak in de maatschappij voor de verandering van het Twentse energiesysteem;
Het realiseren van een forse besparing van energie. Zeker in de gebouwen, in mobiliteit en industrie;
Het opwekken van duurzame energie. Dit kunnen we realiseren door in te zetten op een duurzame energiemix (zon-, wind-, bio- en bodemenergie, evenals waterkracht), met extra aandacht voor het opwekken van duurzame warmte als vervanger van aardgas;
De opslag van energie en afstemming van vraag en aanbod;
Inzetten op grootschalig zon op dak, zonnevelden en het plaatsen van windmolens en windturbines om 1,5 TWh elektriciteit op te wekken in 2030. Tevens heeft Twente de potentie om een warmteregio te worden.
Met de komst van de Omgevingswet verandert voor energiebesparing de wet- en regelgeving. Energiebesparing voor bedrijven en instellingen wordt dan geregeld in het Bal, het Bbl en de omgevingsvergunning. De informatieplicht voor bedrijven moet actief worden opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente. Na afloop van MJA3 komt er waarschijnlijk een vervolg in de vorm van MJA4. Energievoorschriften worden opgenomen in de bruidsschat en kunnen later worden ondergebracht in het omgevingsplan.
Klimaatadaptatie
De veranderingen in het klimaat zullen gevolgen hebben voor de inrichting van Nederland. De strijd tegen het water door de eeuwen heen heeft het Nederlandse landschap gevormd. Het land en het watersysteem zijn naar onze hand gezet met dijken, polders, kanalen en ruilverkaveling voor functies als steden en hoogwaardige landbouw. Het maximale is uit onze bodem gehaald en het watermanagement is tot in de haarvaten van het systeem uitgewerkt. Dat heeft Nederland tot een dichtbevolkt en welvarend land gemaakt.
De veranderingen in het klimaat maakt dat we onze aanpak moeten aanpassen. De grenzen zijn bereikt en op bepaalde plaatsen al overschreden, ook vanuit de internationale en Europese regels die gelden. Klimaatadaptie is het proces waarbij de samenleving zich aanpast aan het veranderende klimaat en de schadelijke gevolgen ervan probeert te beperken. Klimaatadaptie is een van de maatschappelijke opgaven waar voor overheden een taak ligt.
De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) brengt nieuwe initiatieven voor klimaatadaptatie op gang en versnelt en verbreedt bestaande initiatieven. In de NAS staat wat de gevolgen van klimaatverandering zijn voor de verschillende sectoren in Nederland. Ook beschrijft de NAS hoe de sectoren met deze gevolgen om kunnen gaan.
Daarnaast biedt de Omgevingswet instrumenten en handvatten aan om klimaatadaptie vorm te geven. In Twente hebben we een klimaatatlas. De resultaten van de klimaatatlas vormen de basis voor het informeren van inwoners, bedrijven, bestuurders en andere stakeholders. Daarmee beschikken alle betrokkenen over de benodigde informatie om dialogen te kunnen voeren en te komen tot een gezamenlijke aanpak rondom de geconstateerde risico’s.
Bodem en ondergrond
De bodem is onze basis. Grote delen van het landelijk gebied hebben nu al te maken met problemen van bodemkwaliteit door vervuiling, vermesting en verdroging. Bovendien verslechtert de waterkwaliteit door nalevering uit de bodem en daalt de bodem door inklinking van veen, die in veel gevallen versneld wordt door het waterbeheer ten behoeve van gebruik, zoals landbouw.
Het is wettelijk verplicht om de bodem te beschermen tegen de aanwezigheid van schadelijke stoffen. Vanaf 2021 zijn twee opgaven belangrijk:
Het beheren/omgaan met de resterende verontreinigingen in de bodem (circa 170.000 verontreinigde locaties);
Kansen en beperkingen van bodem en ondergrond leveren waar wenselijk een bijdrage aan maatschappelijke opgaven geleverd kan worden.
De laatste jaren is in Twente meer aandacht voor bodem in een breder perspectief gekomen. Bodem is meer dan alleen de milieu-hygiënische kwaliteit oftewel de verontreinigingsproblematiek. Bodem vervult vele functies. Een actuele functie is de bijdrage die het kan leveren bij het behalen van energie-doelstellingen, evenals als opslag voor bepaalde stoffen. Niet iedereen is hier positief over. Er is weerstand tegen het injecteren van productieafvalwater en het opslaan van gasolie in de voormalige zoutcavernes. Ook kan de aanleg van bodemenergiesystemen leiden tot verspreiding van aanwezige bodemverontreinigingen naar dieper gelegen bodem- en grondwaterlagen.
In Twente is er een nota bodembeheer ‘Twents beleid veur oale grond 2.0’ met bij behorende bodemkwaliteitskaart (BKK) waarin deze onderwerpen terugkomen. Voor poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) is gekozen om dit probleem regionaal op te pakken en op termijn te integreren in de BKK. Het voornemen is ook om zeer zorgwekkende stoffen regionaal op te pakken.
Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) zijn de gevaarlijkste stoffen voor mens en milieu, omdat deze carcinogeen, mutageen of reprotoxisch zijn, of zich in de voedselketen ophopen. Naar schatting circuleren momenteel 350.000 verschillende chemicaliën rond in productieprocessen van bedrijven. Van de verf die de schilder gebruikt tot aan het afval bij afvalverwerkers en het maken van staal bij Tata Steel. En ieder jaar worden komen daar nieuwe stoffen bij. Het streven is om ZZS uit de leefomgeving te weren. Daarom is landelijke veel aandacht voor het thema ZZS.
De wetgeving is verspreid in meerdere sectorale wetgeving zoals de Omgevingswet, het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) en de Waterwet (waarvoor het waterschap bevoegd gezag is). Van al deze stoffen heeft het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) al ongeveer 1.500 stoffen als ‘Zeer Zorgwekkend’ geclassificeerd. Dat betekent dat als deze stoffen vrijkomen in de grond, water of lucht, ze schadelijke effecten hebben op mens, dier en plant. Uit onderzoek van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) is geconstateerd dat bij bedrijven en overheden onvoldoende zicht is op waar deze stoffen zich bevinden en wat het milieueffect is. Daarmee neemt het risico op maatschappelijke onrust toe als de effecten zicht- of meetbaar worden. Hiervan is PFAS het meest recente voorbeeld, maar ook het onderzoek naar de uitstoot van Tata Steel.
Gemeenten en provincies willen daarom dat er meer aandacht komt voor de risico’s als er niet vroegtijdig een betrouwbaar beeld is over het gebruik van ZZS in de productieketen, over de verspreiding ervan in de leefomgeving, over wet- en regelgeving (emissienormen, de meldingsplichten, passende VTH-aanpak) en over kennis over de stoffen zelf. De VNG doet samen met het Interprovinciaal Overleg (IPO) een oproep tot intensieve samenwerking om meer kennis te krijgen over deze stoffen en de verspreiding in de leefomgeving.
De ODT is één van de samenwerkingspartners die in bovenstaande een rol speelt in het hele VTH-proces.
Gezonde fysieke leefomgeving
Een gezonde fysieke leefomgeving bestaat uit veel aspecten. In dit beleidsstuk, dat van toepassing is op ODT, worden de volgende thema's verstaan onder gezonde fysieke leefomgeving: (1) asbest, (2) natuur, (3) luchtkwaliteit en geur en (4) geluid.
Asbest
Asbest is een kankerverwekkende stof waar zorgvuldig mee om moet worden gegaan. Asbest is de verzamelnaam van een aantal mineralen die zijn opgebouwd uit microscopisch kleine, naaldachtige vezels. De stof is sterk, slijtvast, bestand tegen logen, zuren en hoge temperaturen, het isoleert en is bovendien goedkoop. In het verleden werd asbest voor tal van toepassingen gebruikt, totdat men erachter kwam dat asbest onaanvaardbare gezondheidsrisico's kan veroorzaken. Het inademen van asbestvezels kan longkanker, stoflongen of long- en buikvlieskanker veroorzaken. De verkoop van asbest of asbesthoudende producten is sinds 1993 dan ook vrijwel overal in Nederland verboden. Asbest kan vrijkomen bij sloopwerkzaamheden. Het zit onder andere in: gevels, dakbeschot, golfplaten, in en om schoorstenen, cv-installaties en kachelafdichting, bloembakken, vloerzeil, oude strijkplanken en warmhoudplaatjes.
Provincie Overijssel stimuleert het verwijderen van asbestdaken. In Overijssel zijn al vele asbestdaken vervangen of verwijderd. Toch is er nog zo’n acht miljoen vierkante meter asbestdaken te vinden in de steden en in het buitengebied.
Sloop met asbest is één van de kerntaken van de ODT. Daarbij is de ODT de uitvoeringsorganisatie en de gemeente bevoegd gezag en daarmee verantwoordelijk voor het beleid. Wanneer men asbest gaat verwijderen, mag dit in sommige vallen particulier gebeuren. Hiervoor moet altijd een melding sloop/asbest gedaan worden bij ODT. Door de ODT worden de ingediende sloop(asbest)meldingen beoordeeld en vervolgens wordt hierop toezicht gehouden. Bij de werkwijze omtrent asbest is veel verschil tussen de aangesloten gemeenten. Afhankelijk van het afgegeven mandaat door bevoegde gezagen, ligt ook de handhaving bij de ODT.
Natuur
De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In 2050 is het grootste deel van ons grondoppervlak nog steeds bestemd voor land- en tuinbouw en natuur. Wel ziet ons landbouw- en voedselsysteem er in de toekomst anders uit. Natuurgebieden worden omgeven door extensief begraasde graslanden en andere vormen van natuur inclusieve landbouw.
Nederland kent in de toekomst meer ruimte voor natuur, door natuur- en landschapswaarden sterker te integreren met andere ontwikkelingen. Bij nieuwe bouw- en ontwikkelopgaven is natuur inclusieve ontwikkeling de norm, zowel in de stad als in het landelijk gebied. Dit wordt in de ontwerpopgave standaard meegenomen. In het stedelijk gebied is in 2050 voldoende ruimte voor natuur en groen, om bijvoorbeeld insecten genoeg overlevingskansen te geven. Bodemdaling van slappe bodems is uiterlijk in 2050 aanzienlijk verminderd. Daarnaast is het natuurareaal vergroot en zijn de kerngebieden robuust met elkaar verbonden, soms via natuur inclusieve landbouwgebieden, soms via robuuste natuurverbindingen. Vernatting en extensivering van sommige veenweidepolders heeft geleid tot herstel van typische moerasflora (zoals kleine zonnedauw) en -fauna (zoals de roerdomp). Rond de natuurgebieden zijn bufferzones gerealiseerd en de water- en milieucondities zijn verbeterd. Ook de aanleg van nieuwe bossen, ook bedoeld om koolstof vast te leggen, draagt bij aan herstel van de biodiversiteit en de landschappelijke kwaliteit.
De opgave is het herstellen en versterken van de biodiversiteit zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (VHR). Dat betekent dat op termijn de condities zodanig zijn dat alle beschermde soorten en habitat in goede staat kunnen voortbestaan en tussentijds niet verslechteren.
Veranderingen door Omgevingswet:
De mogelijkheid om zienswijzen in te dienen op ontwerp-aanwijzingsbesluiten voor Natura 2000-gebieden en aanwijzingsbesluiten voor bijzondere nationale natuurgebieden verandert. Die geldt onder de Omgevingswet voor eenieder (artikel 16.23 Ow). Onder de Wnb alleen voor belanghebbenden.
Gemeentelijke verordeningen regelen nu vaak dat een vergunning nodig is voor het kappen van bomen binnen de bebouwde kom. Met de Omgevingswet worden deze regels in het omgevingsplan opgenomen.
Per 1 januari 2017 zijn provincies in de volle breedte verantwoordelijk geworden voor het natuurbeleid. Dat biedt nieuwe kansen om natuur, economie en samenleving nog meer met elkaar te verbinden, in aanvulling op het bestaande beleid. De provincie Overijssel heeft in 2016 Groene Tafels georganiseerd waarin met veel vertegenwoordigers uit de samenleving is onderzocht hoe deze kansen kunnen worden benut.
In Twente zijn meerdere gebieden aangewezen als Natura 2000-beschermingsgebied. Om de natuur in die gebieden te herstellen en beschermen is extra aandacht nodig. Naast de aandacht voor specifieke gebieden is bij vergunningen voor activiteiten meer aandacht nodig voor de instandhouding van beschermde soorten. Asbestsaneringen en het weghalen van oude schuurtjes (bijvoorbeeld door rood-voor-rood) zijn activiteiten die beschermde soorten kunnen raken. Dit geldt ook in de bebouwde kom bij bijvoorbeeld particuliere handelingen als isolatie of sloop. Ook hier dient rekening gehouden te worden met gebouwbewonende vleermuizen en vogels. Een ander aandachtspunt is dat de karakteristieke houtwallen in Twente onder druk staan. Steeds meer verdwijnen, waardoor het mooie coulisselandschap langzaam verdwijnt.
Stikstof
Stikstof is een belangrijke voedingsstof voor plantengroei en essentieel voor de vorming van eiwitten, samen met fosfaat. Beiden worden daarom toegediend in meststoffen. In Nederland is sprake van een zeer hoge toediening in de vorm van kunstmest en dierlijke mest, mede als gevolg van een hoge stikstofimport in de vorm van veevoer. Daarnaast worden stikstofoxiden door verkeer en industrie uitgestoten.
Stikstofdioxiden en ammoniak komen neer op natuurterreinen waar ze de voedselrijkdom verhogen en bijdragen aan de bodemverzuring. Hierdoor ontstaat onbalans in voedingsstoffen en een overschot aan stikstof. Dit heeft als resultaat dat planten die goed gedijen op voedingsrijke grond (bramen, brandnetels en berken), in aantallen toenemen en planten die slecht gedijen op voedselrijke grond verdwijnen. De stikstofproblematiek speelt eigenlijk al sinds de begin jaren '80, toen veel aandacht was voor zogeheten “zure regen”. Naast zwavel, wat sinds 1980 met meer dan 80% is gedaald, ging het toen al om hetzelfde stikstofprobleem.
Sindsdien heeft de Nederlandse overheid getracht de uitstoot van stikstof te beperken. Vanaf 1990 is de uitstoot meer dan gehalveerd. Daarbij daalt de stikstofdioxide uitstoot al dertig jaar gestaag, maar de afname in de uitstoot van ammoniak is sinds 2010 gestagneerd. In 2015 introduceerde de overheid daarom het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Echter, in mei 2019 oordeelde de Raad van State dat het PAS niet voldoet. Door die ‘stikstofuitspraak’ moet Nederland nieuwe maatregelen nemen om stikstofdepositie op natuurgebieden te verminderen.
Onder regie van de provincies is in zes regio’s gestart met gebiedsteams. De bedoeling is kansen en knelpunten te benoemen om vervolgens een agenda op te stellen, op weg naar natuurherstel, een meer duurzame landbouw en ontwikkelingsperspectief voor agrariërs. Na het bekrachtigen van de uitgangspunten van deze gebiedsgerichte aanpak door Provinciale Staten, zijn de teams geformeerd en gestart met het per gebied verzamelen van kennis door onder andere het organiseren van gebiedstafels, om in overleg met alle belanghebbenden te komen tot een gedegen analyse.
Begin juni 2022 werd bekend dat de stikstofuitstoot in sommige gebieden met 70 tot 80 procent omlaag moet. Op 10 juni publiceerde stikstofminister Van der Wal daarover een Startnotitie Nationaal Landelijk Gebied, inclusief een kaart van Nederland met doelen voor vermindering van uitstoot. De bekendmaking hiervan heeft tot grote onrust onder met name boeren en andere groepen in de samenleving geleidt. Op het moment van schrijven is er nog geen uitsluitsel over het verdere verloop en oplossingsrichting van het stikstofbeleid.
Luchtkwaliteit en Geur
Luchtkwaliteit
Schone lucht is van levensbelang voor de gezondheid. Luchtverontreiniging heeft een negatieve invloed op de gezondheid en is de voornaamste oorzaak van gezondheidsklachten door milieu-invloeden. Ondanks dat de lucht de laatste jaren schoner is geworden, veroorzaken de huidige concentraties luchtverontreiniging nog steeds veel gezondheidsschade. Op dit moment overlijden jaarlijks 12.000 mensen vroegtijdig door de uitstoot van schadelijke stoffen, zoals fijnstof en stikstofdioxide.
Een groot deel van het fijnstof wordt beïnvloed door ammoniakemissie uit de landbouw. (Intensieve) veehouderijen kunnen op grotere afstand de gezondheid van mensen beïnvloeden. In Nederland vinden op grote schaal deelonderzoeken plaats binnen het onderzoek Veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO). Via epidemiologisch onderzoek maken de VGO-studies relaties zichtbaar tussen intensieve veehouderijen en gezondheid. De resultaten uit deze onderzoeken zijn: meer longontsteking, minder astma en allergie, minder goede longfunctie en niet vaker ziekteverwekkers. Binnen Twente is er een grote agrarische sector, met name veeteelt is in grote mate vertegenwoordigd. Hierdoor is het risico op uitbreken van dierziekten aanwezig.
Overijssel is na Noord-Brabant en Gelderland de provincie met de meeste melkgeiten in Nederland. Er is een geitenstop afgekondigd: geen nieuwe vestigingen of uitbreidingen omdat deze mogelijk een risico vormen voor de volksgezondheid.
Met wet- en regelgeving wil de overheid zorgen voor een goede luchtkwaliteit en de burgers beschermen tegen de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. Luchtkwaliteitsregels hebben gevolgen voor het uitvoeren van (ruimtelijke) projecten. Uitgangspunt is dat een project niet leidt tot overschrijding van grenswaarden voor luchtkwaliteit. Als er wel een overschrijding is, mag een project de luchtkwaliteit niet 'in betekenende mate' verslechteren. Er zijn er verschillende manieren om de luchtkwaliteit te verbeteren, zoals het plaatsen van luchtwassers bij agrarische bedrijven. Maar ook om aanvullende eisen te stellen bij houtstook, dieselvoertuigen en het gebruik van biobrandstoffen.
Onder de Omgevingswet is een van de veranderingen dat we straks niet meer alleen te maken hebben met grens¬waarden, maar ook met het nieuwe begrip ‘omgevings¬waarde’. Dit is een van de instrumenten waarmee het beleid van de omgevings¬¬visie kan worden uitgevoerd. Omgevingswaarden moeten objectief zijn vast te stellen en meetbaar zijn. Afstemming tussen bevoegd gezagen en ODT is belangrijk om hier uitvoering aan te kunnen geven.
Geur
De meeste geurstoffen zijn al te ruiken bij lage hoeveelheden die niet schadelijk zijn voor de gezondheid. Wel kunnen geuren verschillende nadelige effecten oproepen, zoals (ernstige) hinder, en kunnen ze het dagelijkse leven beïnvloeden (onder andere verplicht worden ramen te sluiten en niet thuis willen verblijven). Blootstelling aan geur, zeker bij herhaling, kan ook stress gerelateerde gezondheidseffecten oproepen: denk aan hoofdpijn, duizeligheid, misselijkheid en vermoeidheid.
Een onderdeel van het Rijksbeleid is dat lokale overheden de uiteindelijke lokale afweging moeten maken van het acceptabel geurhinderniveau, zodat zij rekening kunnen houden met alle relevante belangen om tot een duurzame kwaliteit van de leefomgeving te komen.
Onder de Omgevingswet verandert de definitie van een geurgevoelig object (GGO). Dat zijn gebouwen die zijn bestemd voor wonen of verblijf door mensen. In de instructieregels staat dat dezelfde gebouwen die bij geluid en trillingen beschermd zijn, óók beschermd moeten worden tegen geur. Door de veranderingen ontstaat meer ruimte voor gemeenten voor eigen invulling. Afstemming tussen bevoegd gezagen en ODT is belangrijk om hier uitvoering aan te kunnen geven.
Geluid
Geluid heeft grote invloed op de kwaliteit van de leefomgeving en speelt bijna altijd een rol bij nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. Geluidhinder kan optreden in een leefomgeving waar verschillende functies samenkomen. Langdurige geluidhinder kan leiden tot gezondheidsproblemen zoals verstoring van het slaapritme en leerproblemen. De meeste overlast wordt veroorzaakt door wegverkeer, buren, sportgeluiden, geluiden van airco's en warmtepompen en vliegverkeer. Andere bronnen van geluidsoverlast kunnen zijn: industrie, bouwwerkzaamheden, winkels of grootschalige evenementen.
Binnen de Omgevingswet krijgt de gemeente veel meer ruimte om zelf te bepalen welke geluidnormen gelden voor bedrijfsmatige activiteiten. Daarnaast verandert de systematiek voor industrieterreinen met een geluidzone en moeten gemeenten de geluidemissie van hun eigen wegen in kaart gaan brengen.
Externe veiligheid (gevaarlijke stoffen)
Externe veiligheid gaat over risico’s die samenhangen met het produceren, verwerken en opslaan van gevaarlijke stoffen rondom risicovolle bedrijven en rondom transportassen (weg, water en spoor) en door buisleidingen (bijvoorbeeld LPG).
Door de aanwezigheid van verschillende steden en kernen is in Twente relatief veel industrie. Vooral op het gebied van bouwnijverheid en transport. Bedrijven met gevaarlijke stoffen zijn aanwezig, maar niet meer dan in andere veiligheidsregio’s. Dit uit zich in een tiental zogenaamde Soveso-bedrijven en kleinere bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen. Deze bedrijven zijn aanwezig in vrijwel elke gemeente. Typerend zijn LPG-tankstations, al is sprake van een afname van het aantal verkooppunten. Alternatieve brandstoffen zijn nog nauwelijks aanwezig, hoewel daar wel plannen voor zijn.
Wijzigingen van de Omgevingswet in relatie tot externe veiligheid heeft consequenties voor rollen, taken en verantwoordelijkheden. De ODT speelt een rol bij de uitvoering van de wettelijke taken op het gebied van externe omgevingsveiligheid.