2.5.1 Uitkomsten van het onderzoek
Uit het adresonderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken:
De persoon woont nog steeds op het actueel geregistreerde adres;
De persoon heeft aangifte van verhuizing gedaan;
Het is duidelijk waar de persoon woont, de persoon doet zelf echter geen aangifte;
De persoon wordt geregistreerd met een briefadres;
Het is onduidelijk waar de persoon woont.
a en b: Is er sprake van situatie a of b als uitkomst van het onderzoek, dan sluit de gemeente het adresonderzoek af.
c: Is er sprake van de situatie c als uitkomst van het onderzoek, dan kan mogelijk een aangifte van de persoon verkregen worden op grond waarvan er nieuwe gegevens geregistreerd kunnen worden. De verblijfplaats van de persoon is immers bekend, zodat contact kan worden opgenomen. De persoon wordt benaderd en gewezen op zijn aangifteplicht op grond van de Wet BRP. Als de persoon zich meldt en aangifte doet van zijn verhuizing, kan het onderzoek worden afgesloten.
Als de persoon niet reageert tijdens het onderzoek, geen aangifte van verhuizing of vertrek naar het buitenland doet, dan besluit de gemeente tot ambtshalve verhuizing naar het nieuwe adres, nadat de voorgenomen beslissing van de verhuizing en het besluit schriftelijk bekend zijn gemaakt aan de persoon.
Bevindt zich het woonadres van de persoon in een andere Nederlandse gemeente, dan moet daar contact mee worden opgenomen om te helpen bij het adresonderzoek. De andere gemeente kan de persoon op zijn vermoedelijke nieuwe adres aanschrijven en wijzen op zijn verplichting aangifte van verhuizing te doen.
Volgt er geen verhuisaangifte, maar is er een sterk vermoeden dat de persoon feitelijk in de andere gemeente woont, dan stuurt de gemeente een samenvatting van het dossier (in kopie) aan die andere gemeente. De andere gemeente beoordeelt of er voldoende reden is voor een ambtshalve verhuizing. Als dat het geval is, stuurt deze een voornemen en een besluit over de ambtshalve verhuizing aan de persoon op het nieuwe en op het oude adres.
d: Is er sprake van de situatie d als uitkomst van het onderzoek, omdat vast is komen te staan dat de persoon die op dat adres in de BRP ingeschreven staat daar niet meer woont, maar ook niet de beschikking heeft over een ander woonadres. Dan moet de gemeente niet alleen een beslissing nemen in het kader van het adresonderzoek, maar ook kijken of iemand ingeschreven kan worden op een briefadres.
Ook kan vast komen te staan dat iemand in de BRP is opgenomen met een briefadres, terwijl blijkt dat de persoon er feitelijk woont. De gemeente gaat dan in gesprek met de persoon om de reden hiervan te achterhalen en op basis daarvan een beslissing te nemen over de inschrijving in de BRP. De voorgenomen beslissing en het besluit worden schriftelijk bekend gemaakt aan de persoon.
e: Is er sprake van de situatie e als uitkomst van het onderzoek, dan besluit de gemeente tot ambtshalve vertrek naar het buitenland (artikel 2.22 Wet BRP). De situatie onder e is bijzonder omdat er geen gegevens over de nieuwe verblijfplaats van de persoon bekend zijn. Blijken er na het uitvoeren van een gedegen adresonderzoek geen gegevens over het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland, noch van het verblijf buiten Nederland, dan dient de gemeente de bijhouding van de persoonslijst ambtshalve op te schorten. De reden van de opschorting is dan “emigratie” naar een Onbekend land. Opschorting van de bijhouding van de persoonslijst wegens emigratie naar een Onbekend land heeft vaak verstrekkende gevolgen voor de persoon. Overheidsorganen (en derden) gaan er dan vanuit dat de persoon niet meer in Nederland woont. Daardoor kunnen zij besluiten om bepaalde uitkeringen of andere overheidsvoorzieningen te beëindigen. Anderzijds kunnen overheidsorganen (en derden) er ook last van ondervinden, met name als zij van de persoon iets te vorderen hebben (zoals de Belastingdienst). Daarom is de zorgvuldigheid van het adresonderzoek met name in dit geval van groot belang.
2.5.2 Voornemen tot ambtshalve wijziging
Als de persoon niet reageert, geen aangifte van verhuizing of vertrek doet of wel reageert, maar uit die reactie niet afgeleid kan worden op welk adres hij woont, dan maakt de gemeente het voornemen bekend om gegevens over de persoon ambtshalve te wijzigen. Het voornemen kan ook inhouden dat de gemeente de persoon ambtshalve zal registreren als vertrokken naar een (on)bekend land. De gemeente dient de persoon op grond van de Algemene wet bestuursrecht op de hoogte te stellen van het voornemen om gegevens over de persoon ambtshalve te wijzigen. Dit doet de gemeente door het zenden van een voornemen per brief.
Als er geen gegevens bekend zijn over de nieuwe verblijfplaats van de persoon, dan wordt het voornemen verzonden aan het laatst bekende adres van de persoon in de BRP. Omdat het bijvoorbeeld mogelijk is dat de post via een automatische verhuisservice wordt doorgestuurd naar het nieuwe adres van de persoon. Als bekend is op welk (nieuwe) adres de persoon woont, dan wordt dat adres ook gebruikt voor het aanschrijven. Als een buitenlands adres bekend is, wordt ook het buitenlandse adres gebruikt voor de verzending. Als er in voornoemde situaties contactmogelijkheden zijn of een e-mailadres bekend is dan worden ook die kanalen gebruikt om de persoon te informeren over het voornemen.
2.5.3 Besluitvorming bij ambtshalve wijziging
Als naar aanleiding van het verzenden van het voornemen om tot ambtshalve wijziging over te gaan geen reactie wordt ontvangen van de persoon, dan neemt het college 4 weken daarna een besluit overeenkomstig het voornemen. Als de persoon wel reageert, maar de reactie geen invloed heeft op de uitkomst van het onderzoek en het betreft geen aangifte, dan kan het voornemen ook uitgevoerd worden.
Als datum van de ingang van de wijziging van het geregistreerde adres of van het vertrek in de BRP geldt de datum van bekendmaking van het voornemen. Ook het besluit wordt bekend gemaakt aan de persoon.
Tot slot wordt ook vermeld wat de betrokken persoon moet doen, als hij bezwaar wil maken tegen het voorgenomen besluit.
2.5.4 Rolverdeling tussen gemeenten
Als een vermoedelijke verblijfplaats van de persoon is gelegen in een andere Nederlandse gemeente dan de gemeente waar de persoon (op dat moment) in de BRP is geregistreerd, kan die andere gemeente bij het onderzoek betrokken worden. Gemeenten hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de correcte bijhouding van de BRP en medewerking van de andere gemeente mag worden verwacht. De andere gemeente kan in een dergelijk geval beter in de gelegenheid zijn om na te gaan of de persoon daadwerkelijk op het vermoedelijke adres woont.
Als tijdens het onderzoek blijkt dat de persoon in de andere gemeente woont, dan wordt er een kopie van het onderzoek dossier naar die gemeente gestuurd met het verzoek om het onderzoek over te nemen.
Als de persoon niet op het vermoedelijke adres in die andere gemeente blijkt te wonen, dient het onderzoek te worden voortgezet door de actuele gemeente van inschrijving.
Het multidisciplinair bespreken van specifieke adressen en/of personen behoort tot de mogelijkheid in verband met een adresonderzoek. Binnengemeentelijke samenwerking kan veel voordelen opleveren. Er kunnen bijvoorbeeld diverse zaken aan de orde komen in relatie tot de persoon waarbij de gemeente dan ondersteuning kan bieden.
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.5
Resultaten van het onderzoek
Onderdeel van Regeling briefadres en adresonderzoek gemeente Gooise Meren 2023