Bij handhaving is het uitgangspunt om de meest effectieve interventie in te zetten. Dit betekent dat we het minst zware instrument inzetten, dat is gericht op herstel van de overtreding. Brengt de situatie met zich mee dat we zwaardere instrumenten (interventies) moeten inzetten omdat een lichte interventie ontoereikend is, bijvoorbeeld wanneer een overtreding voortduurt, laten we dit zeker niet na. Per situatie wordt deze ‘interventieladder’ toegepast, waarbij we telkens de vraag stellen wat de meest effectieve interventie is in het concrete geval. hierbij speelt ook het maatschappelijk draagvlak voor handhaving een belangrijke rol.
De toezichthouder, eventueel in samenspraak met een collega-toezichthouder en/of een handhavingsjurist, gebruikt de interventiematrix (figuur2) voor het bepalen van de meest passende interventie. Dit werkt als volgt:
De toezichthouder kijkt naar de interventies in het segment van de toepasselijke interventiematrix waarin hij de bevinding eerder met behulp van stap 1 (paragraaf 8.4.2) in de basisinterventiematrix (figuur 1) heeft gepositioneerd;
De toezichthouder kiest vervolgens voor de minst zware (combinatie) van de bij het betreffende segment behorende interventies, tenzij de toezichthouder motiveert dat een andere (combinatie van) interventie(s) in de betreffende situatie passender is. Daarbij maakt hij gebruik van zijn bevindingen bij stap 2 (paragraaf 8.4.3);
De handhavingsjurist, eventueel gezamenlijk met een Boa, zet(ten) de betreffende (combinatie van) interventie(s) in totdat sprake is van naleving. Als naleving binnen de door de handhavingsjurist bepaalde termijn uitblijft, pakt deze direct door via het inzetten van een zwaardere (combinatie van) interventie(s).
Figuur 2: Interventiematrix
Hoofdstuk 8 › Paragraaf 8.4
Artikel 8.4.4
Stap 3 – Optreden aan de hand van de interventiematrix
Onderdeel van Vergunningen, Toezicht en Handhavingsbeleid 2024-2027