Deze stap faciliteert in een goede afstemming en weloverwogen inzet van het handhavings-instrumentarium. Hierbij is sprake van tweerichtingsverkeer: bestuursrechtelijke handhavers zoeken indien nodig en volgens de (algemene of domeinspecifieke) gemaakte afspraken het overleg op met politie en OM en omgekeerd. Samen met tijdige informatie-uitwisseling is dit tweerichtingsverkeer een uitwerking van een loyale samenwerking.
Wanneer aan de hand van stap 1 en stap 2 wordt vastgesteld dat er, naast bestuursrechtelijke handhaving, aanleiding is voor het toepassen van strafrecht, gaat de handhavingsjurist na of afstemming met andere handhavende instanties, opsporingsdiensten, politie en het OM nodig is. Indien er is afgesproken dat een bestraffende interventie nodig is, wordt deze toegepast. Indien er sprake is van opzettelijk of zeer nalatig veroorzaken van gevaar aan personen en/of milieu, vindt overleg met het OM plaats. Afhankelijk van de afspraken vindt er nadere afstemming plaats of niet. De gemaakte afspraken en afstemming kunnen betekenen dat er een gezamenlijke interventie plaatsvindt.
Daarnaast wordt, ongeacht de positionering van overtreding en overtreder, in beginsel aangifte gedaan wanneer toezichthouders de volgende bevindingen doen:
Het toezicht wordt bewust onmogelijk gemaakt, bijvoorbeeld door het onterecht weigeren van toegang, intimidatie, geweldsdreiging, fraude, vernietiging van bewijs en/of poging tot omkoping;
De toezichthouder constateert dat er opzettelijk mensen in gevaar worden gebracht, door onder andere sabotage, vernieling of het bewust verstrekken van verkeerde informatie;
Bij deze vormen van niet-medewerking aan het toezicht wordt tevens bestuursrechtelijk opgetreden met het opleggen van een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang (artikel 5:20, derde lid, en 5:32 Awb).
Hoofdstuk 8 › Paragraaf 8.4
Artikel 8.4.5
Stap 4 – Bepalen of afstemmingsoverleg nodig is
Onderdeel van Vergunningen, Toezicht en Handhavingsbeleid 2024-2027