We verstaan in deze uitvoeringsstrategie onder uitvoering:
het verlenen, weigeren, wijzigen of (gedeeltelijk) intrekken van een vergunning of ontheffing;
het behandelen van een melding;
het besluiten over maatwerk en/of gelijkwaardigheid;
het gebruik maken van het adviesrecht van de Raad;
het besluit nemen over het al dan niet vereisen van een OER (Omgevings-effectrapportage).
De uitvoering levert een bijdrage aan het verbeteren en handhaven van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Voor het bepalen van de acceptabele kwaliteit worden de verschillende belangen tussen de voorgenomen activiteiten en de gevolgen voor de fysieke leefomgeving zorgvuldig afgewogen.
Basiswerkwijze
Uitgangspunten bij vergunningverlening en het behandelen van meldingen zijn:
inwoners en bedrijven zijn verantwoordelijk voor het indienen van goede en volledige (conform indieningsvereisten) aanvragen/meldingen. De gemeenten houden zich bij de taakuitvoering aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel;
vergunningen zijn afgestemd op de geldende wet- en regelgeving (landelijk, provinciaal en lokaal) alsmede op lokaal en provinciaal beleid;
vergunningen zijn afgestemd op landelijke standaarden (zoals de LRSO, de Landelijke Redactie voor Standaardteksten voor de Omgevingsvergunning), op gangbare en beproefde methodieken en op een regionale standaard;
vergunningen zijn goed te begrijpen (‘duidelijke taal’), uitvoerbaar, naleefbaar en handhaafbaar;
besluiten op vergunningaanvragen worden tijdig genomen, conform de wettelijke termijnen of eigen streeftermijnen;
het proces dat we lopen is voorspelbaar, transparant, juridisch juist en achteraf verifieerbaar, zie hiervoor ook bijlage 7;
in de gevallen dat vergunningen of besluiten integraal zijn worden de verschillende aspecten en wetten op samenhangende wijze behandeld;
er vindt afstemming, coördinatie of contact plaats met andere bestuurs- of adviesorganen of belanghebbende derden.
Wij hebben als gemeente de taak om de verschillende belangen vanuit de verschillende disciplines te coördineren. Bij aanvragen om een omgevingsvergunning wordt gewerkt met casemanagement. Bij elke aanvraag wordt een behandelend ambtenaar/casemanager toegewezen. De klant beschikt hierdoor over één vast aanspreekpunt. Het ‘van het kastje naar de muur sturen’ wordt hierdoor sterk verminderd, evenals het risico dat bij vergunningverlening tegenstrijdige voorschriften worden gesteld. De behandelend ambtenaar krijgt vanuit de betrokken disciplines adviezen aangereikt en ziet toe op het integrale karakter van de vergunning.
Ons hoofdproces voor het besluiten op een vergunningaanvraag en het beoordelen van een melding volgt op hoofdlijnen onderstaande stappen. Daarbij volgen wij voor vergunningaanvragen de wettelijke reguliere of uitgebreide procedure zoals vastgelegd in de Awb en de Omgevingswet.
Inboeken, registreren en eventueel digitaliseren van de aanvraag;
Sturen ontvangstbevestiging;
Behandelend ambtenaar omgevingsvergunning beoordeelt:
Bevoegd gezag;
Uitgebreide of reguliere procedure;
Publiceren aanvragen en (concept)beschikkingen;
Overzicht bewaken over lopende procedures en de voortgang.
De behandelend ambtenaar is verantwoordelijk voor het afhandelen van de aanvraag:
Toets volledigheid en ontvankelijkheid op basis van indieningsvereisten en samenloop met meldingen;
(Vak)inhoudelijke toets aan alle relevante beoordelingskaders;
Uitzetten bij interne- en externe adviseurs;
Bewaken van de termijn;
Aanspreekpunt voor de aanvrager en informeren aanvrager;
Opstellen (concept)beschikking;
Registratie (behandelstappen en documenten).
Archiveren beschikkingen digitaal).
Mogelijk zienswijze, bezwaar, beroep en hoger beroep, eventueel gecombineerd met een voorlopige voorziening.
Vergunningaanvragen worden digitaal behandeld; we sturen zoveel mogelijk aan op digitale indiening. Aanvragen die op papier worden ingediend, worden door ons gedigitaliseerd. Afhankelijk van het zwaartepunt van de aanvraag wordt bepaald welke medewerker de aanvraag behandelt. De basiswerkwijze voor het verlenen van een omgevingsvergunning is vastgelegd in het registratiesysteem, waarbij de processtappen worden doorlopen en wordt aangegeven wie waarvoor verantwoordelijk is. Het gaat hier om de processtappen op hoofdlijnen. De meest voorkomende correspondentie, beschikkingen, adviezen en vergunningvoorschriften zijn gestandaardiseerd.
De afhandelingstermijn voor de aanvragen maakt het noodzakelijk om de nodige aandacht te geven aan de toets op ontvankelijkheid. Een goede en inhoudelijk juiste beoordeling van aanvragen is alleen dan mogelijk, wanneer de vereiste stukken aanwezig zijn. De marges voor het toestaan van uitzonderingen zijn gering. Het consequent toetsen van een aanvraag op ontvankelijkheid op basis van de Mor voorkomt dat in het vervolg van het proces de toetsing niet (geheel) kan worden uitgevoerd.
De gemeente verricht een volledige ontvankelijkheidstoets bij alle aanvragen voor een omgevingsvergunning. Als richtlijn geldt dat binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag schriftelijk om aanvullende gegevens wordt verzocht. Als de gevraagde stukken niet, niet op tijd of niet volledig worden aangeleverd, wordt de aanvraag buiten behandeling gelaten. Dit wil zeggen dat de aanvrager een besluit krijgt dat zijn aanvraag om een omgevingsvergunning buiten behandeling blijft, waartegen bezwaar kan worden ingediend.
In december 2022 heeft Medemblik de een Bibob-beleidsregel vastgesteld waarmee zij een concreet handvat heeft om in bepaalde gevallen een Bibob-toets uit te (laten) voeren (in bijlage 8 is dat deel van de beleidsregel opgenomen die van toepassing is op bouwgerelateerde zaken). Een Bibob-toets wordt uitgevoerd indien het gevaar bestaat dat met de verlening van een vergunning strafbare feiten gepleegd zullen worden of dat uit strafbare feiten verkregen geld benut zal worden. Ook in overige gevallen kan, conform de gemeentelijke beleidsregels, een toets worden uitgevoerd.
Bij ontvangst van meldingen, zoals voor milieu, brandveilig gebruik, sloop en het lozen buiten inrichtingen vindt een beoordeling plaats of de melding compleet is en ontvangt de indiener een bevestiging. Er volgt op een melding geen besluit van de gemeenten. Indien op de algemeen geldende voorschriften uit landelijke wetten of besluiten aanvullende of concretere uitwerking van voorschriften nodig is voor het voorkomen van risico’s en/of voor een betere handhaafbaarheid, worden maatwerkvoorschriften opgelegd of een gelijkwaardigheidsbesluit genomen.
Met de Wkb komt er een categorie bouwwerken die meldingplichtig zijn, de zogenaamde gevolgklasse 1. Voor deze categorie ontvangt de gemeente minimaal vier weken voor start van de bouw een bouwmelding. De gemeente toetst de melding op volledigheid, gevolgklasse, instrument, kwaliteitsborger en de risico’s uit het borgingsplan. Na uitvoering van de bouw wordt er door de initiatiefnemer een gereedmelding ingediend bij de gemeente. De gereedmelding bevat gegevens en bescheiden over het gerede bouwwerk die inzichtelijk maken dat het voldoet aan de bouwtechnische voorschriften, de verklaring van de kwaliteitsborger en het dossier bevoegd gezag. De gereedmelding wordt door de gemeente beoordeeld op volledigheid. Wanneer de bouwmelding of gereedmelding onvolledig is zal, net als bij omgevingsvergunningaanvragen, na ontvangst van de aanvraag schriftelijk worden verzocht om aanvullende gegevens. De bouwmelding dient vier weken voor start van de bouw volledig te zijn. Na voltooiing van de bouw geldt dat het bouwwerk pas twee weken na de gereedmelding in gebruik mag worden genomen.
De verwachting is dat 80% van de huidige aanvragen straks meldingsplichtig is. M.a.w. 80% van de aanvragen zijn gevolgklasse I en worden onder de Wkb meldingsplichtig waardoor het toetsende en toezichthoudende deel overgaat naar private partijen. Wat dit precies inhoudt voor het werk zullen we monitoren en meenemen in de evaluaties en jaarverslag.
Indien voor het verlenen van een vergunning een melding of andere vergunning nodig is (bijvoorbeeld ontheffing Wet natuurbescherming), en deze niet, of niet volledig is ingediend, kan de aanvraag om een omgevingsvergunning niet in behandeling worden genomen. Daarbij wordt eerst gelegenheid gegeven om binnen een bepaalde termijn de aanvraag aan te vullen. In het kader van de Wet samenhangende besluiten bekijken wij, of voor het realiseren van de aangevraagde activiteit ook overige vergunningen of meldingen nodig zijn (zoals voor de Drank- en Horecawet en de Algemene plaatselijke verordening) en informeren we hier de aanvrager over.
Intrekken van vergunningen
Verleende vergunningen kunnen worden ingetrokken. Zo kunnen vergunningen voor werken die niet zijn gestart, worden ingetrokken. Daarmee wordt voorkomen dat activiteiten gerealiseerd worden volgens verouderde normen in wetgeving. De termijn waarbinnen de initiatiefnemers een verzoek tot intrekking ontvangen, wordt per situatie bepaald op basis van gemeentespecifiek beleid (voor Medemblik: Beleidsregel intrekken omgevingsvergunning bouwen gemeente Medemblik, vastgesteld op 25 augustus 2015, zie bijlage 9).
Beoordelingskader bouwen
Voor de activiteit bouw geldt dat de gemeentelijke toets (de zogenaamde preventieve toets) gekarakteriseerd wordt als een ‘aannemelijkheidstoets’: een vergunning voor de activiteit bouwen wordt alleen verleend als voldoende aannemelijk is dat het bouwplan voldoet aan de technische voorschriften. Hiermee stelt de wetgever duidelijk dat de gemeenten bij het toetsen van de bouwaanvraag niet de verantwoordelijkheid overnemen van de vergunninghouder of de bouwpartij.
De uitvoeringsstrategie voor (bouw)aanvragen heeft tot doel te komen tot een kwalitatief gelijkwaardige manier van toetsen. Ongeacht de behandelend medewerker vindt een eenduidige toetsing plaats. Tevens wordt aan de hand van deze strategie gekomen tot een zo efficiënt en effectief mogelijke inzet van de beschikbare middelen.
Aanvragen worden allereerst getoetst aan de regels voor vergunningsvrij bouwen. Aanvragen voor vergunningsplichtige bouwwerken toetsen we, na uitvoering van de ontvankelijkheidstoets (zie ook ‘basiswerkwijze’) achtereenvolgens aan de volgende onderdelen
toetsing Omgevingsplan (zie ook beoordelingskader ruimtelijke ordening)
toetsing Verordening Fysieke Leefomgeving
toetsing aan welstandseisen opgenomen in het Omgevingsplan
bouwtechnische toetsing conform het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)
toetsing aan Bibob (zie ook ‘basiswerkwijze’, toepassing conform gemeentelijke beleidsregels)
Met de Omgevingswet en Wkb wordt er een ‘knip’ gemaakt in de huidige omgevingsvergunning voor het bouwen: ruimtelijke regels (omgevingsplanactiviteit) en technische regels (bouwactiviteit). Een bouwactiviteit pas vergunningplichtig als deze specifiek is genoemd in het Bbl. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet en Wkb, worden er een categorie bouwwerken op grond van het Bbl vergunningvrij en een categorie bouwwerken meldingplichtig. Dit geldt uitsluitend het de bouwtechnische deel van de ‘knip’: bouwwerken die vallen onder gevolgklasse 1 worden meldingplichtig. Het andere deel van de ‘knip’ gaat over de impact van het initiatief op zijn omgeving: de Omgevingsplanactiviteit. De bouwtechnische aspecten worden getoetst conform het Bbl. Dit houdt in dat de gemeente bouwwerken die niet vergunningvrij zijn en conform het Bbl behoren tot gevolgklasse 1, niet meer bouwtechnisch toetsen. De papieren bouwtechnische toets op het bouwplan vooraf, wordt vervangen door toetsing in de praktijk door een private kwaliteitsborger. De gemeente voert voor bouwwerken die behoren tot gevolgklasse 2 en 3 nog wel een bouwtechnische toets uit. De toetsing aan ruimtelijke regels blijft bij de gemeente. De gemeente beoordeelt de aanvraag omgevingsplanactiviteit op basis van de risicoscore en door toetsing aan het bestemmingsplan, de gemeentelijke Bouwverordening/Verordening Fysieke Leefomgeving en welstandseisen (later aan het Omgevingsplan). Daarnaast maakt de gemeente bij de omgevingsplanactiviteit vergunning lokale risico’s en aandachtspunten kenbaar die relevant zijn tijdens de bouw.
In het omgevingsplan worden ruimtelijke beleidskeuzes vertaald naar praktisch toepasbare voorschriften (zie ook beoordelingskader ruimtelijke ordening). In de welstandsnota worden door het vastgestelde kader de ruimtelijke uitstraling en kwaliteit van de gemeenten waar nodig gewaarborgd.
Elke aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt getoetst aan het vigerende ruimtelijke plan om te bekijken of er sprake is van strijdigheden met de planvoorschriften. Dit gebeurt op een grondige manier, waarbij specifieke kenmerken nauwkeurig worden nagemeten en bestemmingen per ruimte worden benoemd en gecontroleerd. Als blijkt dat een aanvraag niet voldoet aan het geldende ruimtelijke plan, wordt beoordeeld of een afwijking of wijziging van het ruimtelijk plan mogelijk is. Hierbij is de ‘ja, mits’-gedachte leidend.
Toetsing aan Verordening Fysieke Leefomgeving
Bij de beoordeling van bouwplannen vormt de Verordening Fysieke Leefomgeving 2e tranche één van de toetsingskaders. Hierin staan alle lokale regels over de fysieke leefomgeving, vastgesteld op 22 maart 2023. HYPERLINK.
Toetsing aan welstandseisen
Indien een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen aan het omgevingsplan voldoet, of duidelijk is dat de omgevingsvergunning voor het planologisch strijdig gebruik kan worden verleend, wordt het plan getoetst aan redelijke eisen van welstand. Welstand is ook een belang dat al wordt meegenomen in de ruimtelijke afweging. De toetsing vindt plaats door de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit. Op het moment dat er nog geen omgevingsplan ligt is de welstandsnota na inwerkingtreding van de Omgevingswet een beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19, van de Omgevingswet. Medemblik heeft gebieden benoemd die welstandsvrij zijn.
Bouwtechnische toetsing
De wetgever heeft de bouwtechnische voorschriften niet naar zwaarte gedifferentieerd. Het is praktisch onmogelijk om alle geldende voorschriften even uitputtend te toetsen. Hiervoor ontbreken de (financiële) middelen en capaciteit. Bovendien vraagt niet elk bouwwerk om deze controle, waardoor selectief getoetst dient te worden.
Bij de toetsing aan de bouwtechnische voorschriften voor bouwwerken die in gevolgklasse 2 en 3 onder de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen vallen, maken we keuzes volgens de landelijke toetsmatrix (zie bijlage 2). Hierbij wordt een groter belang gehecht aan veiligheids- en gezondheidsaspecten. Ook worden bouwwerken met gevoelige gebruiksfuncties intensiever getoetst.
Beoordelingskader sloopwerkzaamheden
Sloopactiviteiten vinden plaats bij verbouwing, uitbreiding of volledig sloop van objecten. Voor slopen geldt voor karakteristieke objecten (monumenten, panden in beschermde stads- en dorpsgezichten en volgens het bestemmingsplan) een vergunningplicht. Voor overige objecten geldt een meldingsplicht. De sloopmelding wordt op diverse thema’s beoordeeld, conform het beoordelingsformulier van de Omgevingsdienst. De toetsresultaten worden waar nodig vertaald naar nadere voorwaarden in de vergunning.
Beoordelingskader brandveilig gebruik
Het toetsen van meldingen en aanvragen omgevingsvergunning voor alle typen gebouwen in relatie tot brandveiligheid gebeurt op basis van een 100% toets aan wettelijke regelgeving. Meldingen en aanvragen om vergunning voor brandveilig gebruik leggen we altijd voor aan de Veiligheidsregio ter advisering.
Niet-bouwwerken, zoals tenten, podia en kermissen worden getoetst aan de landelijke regelgeving op het gebied van brandveiligheid en lokale regelgeving in de vorm van de APV (artikel 2.25, lid 2 van de APV).
Beoordelingskader monumenten en archeologie
De omgevingsvergunning voor monumenten (wijziging) vergt bijzondere aandacht om te voorkomen dat onomkeerbare schade wordt toegebracht aan gemeentelijk-, provinciaal- en rijkscultuurhistorisch erfgoed. Naast de gebruikelijke beoordeling van de aanvraag over de bouwhistorische onderdelen via de Monumenten-/Erfgoedcommissie wordt bij de toetsing van aanvragen voor een vergunning voor monumenten ook aangesloten bij de vergunningstrategie voor de omgevingsvergunningsactiviteit bouwen. Immers, voor vrijwel alle veranderingen aan een monument is ook een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen vereist.
Beoordelingskader milieu
Voor de activiteit milieu is het bedrijf primair verantwoordelijk voor een milieuverantwoorde bedrijfsvoering, binnen de kaders die hiervoor door de overheid zijn gesteld. De werkzaamheden rondom vergunningverlening milieu hebben betrekking op het beoordelen van aanvragen en meldingen voor activiteiten die van invloed zijn op het milieu. Een groot deel van de werkzaamheden wordt uitgevoerd door de Omgevingsdienst; om de samenwerking te stroomlijnen zijn werkafspraken vastgelegd tussen de gemeente en de Omgevingsdienst. Voor de diepgang van toetsing van meldingen en aanvragen voor milieuactiviteiten wordt verwezen naar de uitvoerings- en handhavingsstrategie van de Omgevingsdienst.
Beoordelingskader aanleg weg, kap, reclame en inritten
Voor het realiseren van activiteiten die de wettelijke basis in Verordening Fysieke Leefomgeving hebben, vindt toetsing primair plaats op basis van die bepalingen. Naast deze publiekrechtelijke toetsing, worden vaak ook privaatrechtelijke afspraken gemaakt als de activiteiten plaatsvinden op publieke gronden (bijvoorbeeld bij de aanleg van inritten).
Bij aanvragen voor de aanleg van een weg of inritten vindt afstemming plaats met de wegbeheerders. Binnen onze gemeente zijn is dit over de gemeenten zelf of de provincie.
In de VFL is opgenomen in welke gevallen voor het kappen/vellen van bomen een vergunning nodig is. Daarnaast zijn er monumentale en/of beeldbepalende bomen aangewezen.
Beoordelingskader evenementen
Aanvragen voor evenementen worden getoetst aan het vigerend ruimtelijke kader (omgevingsplan) en de BGBOP (Besluit brandveilig Gebruik en Basishulpverlening Overige Plaatsen) en vanaf (verwacht) eind 2023 ook aan het nieuwe evenementenbeleid. Indien evenementen plaatsvinden in tijdelijke bouwwerken, vindt de toetsing plaats ten aanzien van brandveiligheid en constructieve veiligheid zoals beschreven in bovenstaande paragrafen.
Specifiek voor evenementen geldt dat het van grote waarde is om bij de beoordeling van een aanvraag voor het houden van een evenement te kijken naar mogelijke aanvragen voor evenementen die gelijktijdig worden gehouden. Daarmee borgen we ook de inzet van hulpdiensten. Dit doen we door gebruik te maken van een regionale evenementenkalender.
Beoordelingskader bodem, bouwstoffen en grondstromen
De ODNHN beoordeelt de meldingen Besluit bodemkwaliteit. Het beoordelingskader hiervan is opgenomen in de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie van de Omgevingsdienst zelf.
Beoordelingskader natuurbescherming
Indien een aanvraag voor een omgevingsvergunning de activiteit handelen in een natuurbeschermingsgebied of met gevolgen voor een natuurgebied bevat, of dat de activiteit nadelige gevolgen heeft voor de aanwezige flora en fauna, dan wordt onder het regime van de Omgevingswet door onze gemeente een bindend advies (voorheen de verklaring van geen bedenkingen) gevraagd bij Gedeputeerde Staten.
Indien deze toetsing plaatsvindt in het kader van een aanvraag die bij de gemeente is ingediend, nemen we de resultaten van dit binden advies over in onze beschikking.
Beoordelingskader ruimtelijke ordening
Uitgangspunt is dat alle aanvragen integraal worden getoetst aan het omgevingsplan. Elke aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt getoetst aan het omgevingsplan om te bekijken of er sprake is van strijdigheden met de planvoorschriften. Dit gebeurt op een grondige manier, waarbij specifieke kenmerken nauwkeurig worden nagemeten en bestemmingen per ruimte worden benoemd en gecontroleerd. Als blijkt dat een aanvraag niet voldoet aan het geldende ruimtelijke plan, wordt beoordeeld of een afwijking of wijziging van het ruimtelijk plan mogelijk is.
Afwijken van het omgevingsplan
In het omgevingsplan zijn activiteiten benoemd, die met een vergunning zijn toegestaan. Als een aangevraagde activiteit in strijd is met het omgevingsplan, spreken we van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (hierna: BOPA). Het tijdelijke omgevingsplan is met ingang van 1 januari 2024 (zoveel als mogelijk) beleidsneutraal ten opzichte van de huidige regels. Uitgangspunt is dat ‘de winkel open moet blijven’. Beoordeling van de aanvraag voor een BOPA vindt plaats aan de hand van de beoordelingsregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL).
Samenwerking bij de vergunningverlening
De behandelend medewerker beoordeelt of collegiaal overleg nodig is, onder andere om andere benodigde disciplines te laten beoordelen of een toetsing noodzakelijk is of collega’s met meer specialistische kennis te betrekken. In het gedigitaliseerde werkproces zijn ook de contactmomenten met externe en interne adviseurs benoemd. Afhankelijk van de aangevraagde activiteit vindt samenwerking plaats met diverse interne en externe adviseurs.
Een deel van de uitvoeringstaken wordt door de Omgevingsdienst en de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord uitgevoerd. Daarnaast werken we samen bij vergunningverlening met onder meer het Hoogheemraadschap en Provincie.
Aanvragen voor monumenten worden, naast de gebruikelijke beoordeling voor slopen/bouwen volgens de toetsmatrix, getoetst door de Monumentencommissie en van advies voorzien door de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.2
Uitvoeringsstrategie (o.a. vergunningen)
Onderdeel van Uitvoerings- en handhavingsstrategie gemeente Medemblik 2023-2026