1. Op grond van de inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb kan het college respectievelijk de burgemeester van deze beleidsregel afwijken. Hiertoe kan bijvoorbeeld aanleiding bestaan, indien toepassing van het beleid voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens aangetoonde bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn in verhouding tot de met deze beleidsregel te dienen doelen. Hierbij worden alle omstandigheden van het geval betrokken in de beoordeling en wordt bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb.

2. In het geval de duur of de hoogte van de bestuurlijke maatregel naar het oordeel van het college respectievelijk de burgemeester niet evenredig wordt geacht (daaronder begrepen: geschikt, noodzakelijk of evenwichtig), kan het college respectievelijk de burgemeester de duur of hoogte van de bestuurlijke maatregel verminderen of volstaan met een minder ingrijpende bestuurlijke maatregel.