1. De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van het Instituut, worden door het algemeen bestuur uit zijn midden aangewezen, met dien verstande, dat als voorzitter wordt aangewezen het daartoe uitdrukkelijk door de raad van Veenendaal aangewezen lid en als plaatsvervangend voorzitter wordt aangewezen het daartoe door de raad van Rhenen aangewezen lid.
2. Zij die in een vorige periode voorzitter en plaatsvervangend voorzitter waren, blijven als zodanig functioneren tot de nieuwe aanwijzing heeft plaatsgevonden en kunnen opnieuw worden aangewezen.
3. De voorzitter is op eerste verzoek van een lid van het algemeen bestuur verplicht informatie te verschaffen over door hem genomen besluiten dan wel gepleegde handelingen.
Paragraaf
Artikel 14
Aanwijzing voorzitter
Onderdeel van GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING SOCIALE WERKVOORZIENING ZUID-OOST UTRECHT