Naar hoofdinhoud

Paragraaf

Artikel 31

Voorwaarden toe- en uittreding

Onderdeel van GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING SOCIALE WERKVOORZIENING ZUID-OOST UTRECHT

1. Een raad en college van burgemeester en wethouders van een andere gemeente kunnen tot deze regeling toetreden door een daartoe strekkend besluit, na verkregen toestemming van hun raad, overeenkomstig artikel 1, vierde en vijfde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. 2. Alle raden en colleges moeten instemmen met de toetreding, na verkregen toestemming van hun raden, overeenkomstig artikel 1, vierde en vijfde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen 3. De toetredende gemeente betaalt aan het Instituut een inlegsom, waarvan het bedrag en de bestemming door het algemeen bestuur worden vastgesteld. Het besluit wordt ter kennisneming gebracht van GS. 4. Uittreding uit deze regeling is eerst mogelijk met ingang van het derde jaar volgend op het jaar waarin de raad en college van een deelnemende gemeente hun besluit tot uittreding kenbaar hebben gemaakt aan het algemeen bestuur. 5. Van de in het vierde lid genoemde wachttijd kan worden afgeweken als alle deelnemende raden en colleges instemmen met een eerdere uittreeddatum. 6. Na ontvangst van de in het vierde lid vermelde kennisgeving wordt een in overleg met de uittredende deelnemer aan te wijzen onafhankelijke registeraccountant opdracht verleend een uittredingsplan op te stellen. 7. Op grond van het in het zesde lid bedoelde uittredingsplan besluiten de raad en het college dat een kennisgeving als bedoeld in het vierde lid hebben gedaan, of tot uittreding wordt overgegaan. Het college besluit hier niet toe dan nadat het toestemming heeft gekregen van zijn raad als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. 8. Wanneer toepassing wordt gegeven aan het zevende lid, stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan vast. De in het uittredingsplan omschreven financiële verplichtingen zijn voor de uittredende raad en college bindend met dien verstande dat een geschil over het uittredingsplan en de daarin omschreven financiële verplichtingen overeenkomstig artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen aan GS kunnen worden voorgelegd. 9. Nadat het uittredingsplan is vastgesteld is de uittredende deelnemer gehouden om binnen 6 maanden de daarin voor hem omschreven financiële verplichtingen te voldoen. 10. De kosten van het opstellen van het uittredingsplan komen voor rekening van de deelnemer die het voornemen heeft om uit te treden 11. Het uittredende lid kan nimmer aanspraken maken op de activa van het Instituut of de aandelen in IW4 Beheer NV dan wel de aandelen in aan IW4 Beheer NV of het Instituut verbonden rechtspersonen, hoe ook genaamd. 12. Van ieder bericht van toetreding en uittreding door een gemeente wordt onmiddellijk kennis gegeven aan de deelnemende gemeenten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel