De regels in dit artikel zijn van kracht binnen de gehele gemeente met uitzondering op het beschermde dorpsgezichten Barsingerhorn en Kolhorn en het buitengebied van het voormalige eiland Wieringen en zijn gesteld met het oog op:
Het beschermen van stedenbouwkundige waarden;
Het beschermen van architectonische en welstandelijke kwaliteit van bouwwerken;
Het beschermen van het woon- en leefklimaat;
Het beschermen van de gezondheid.
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:
Bijbehorende bouwwerken moeten op ten minste 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd.
In afwijking van het bepaalde onder 1 mag één bijbehorend bouwwerk vóór de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd, als:
de diepte van het bijbehorend bouwwerk niet meer dan 1,5 m is;
de breedte van het bijbehorend bouwwerk niet meer dan 60% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw is;
de bouwhoogte niet meer is dan de hoogte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw waaraan wordt aangebouwd.
De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en hoofdgebouwen mag niet meer zijn dan de maximale oppervlakte van het hoofdgebouw die is toegestaan in het bestemmingsplan, vermeerderd met:
70 m² bij rijenwoningen, niet zijnde halfvrijstaande woningen;
70 m² bij vrijstaande en halfvrijstaande woningen op bouwpercelen kleiner dan 500 m²;
100 m² bij vrijstaande en halfvrijstaande woningen op bouwpercelen groter dan 500 m²;
125 m² bij vrijstaande en halfvrijstaande woningen op bouwpercelen groter dan 750 m²;
150 m² bij vrijstaande en halfvrijstaande woningen op bouwpercelen groter dan 1000 m²;
de bestaande oppervlakte indien deze meer is dan op grond van het bepaalde onder a t/m e is toegestaan.
Het bebouwingspercentage op een bouwvlak mag niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwvlak zijn.
De goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet:
meer dan 3 m zijn;
meer zijn dan de hoogte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw als het aan- en uitbouw betreft;
meer zijn dan de bestaande goothoogte van bijbehorende bouwwerken als deze hoger is.
De goothoogte van vrijstaande bijgebouwen en vrijstaande overkappingen mag niet meer dan 3 m zijn.
De bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 6 m zijn, waarbij de bouwhoogte in ieder geval 1 m lager is dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw.
Een dakoverstek mag niet groter dan 0,5 m zijn;
Ondergronds bouwen is niet toegestaan.
In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2.1 gelden voor stolpboerderijen en voor als karakteristiek aangeduide panden de volgende regels:
er mogen geen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd;
bijgebouwen en vrijstaande overkappingen moeten op ten minste 5 m achter de achtergevel te worden gebouwd of op de bestaande afstand als deze minder is.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.2
Regels voor bijbehorende bouwwerken
Onderdeel van Beleidsregels horende bij de Verordening fysieke leefomgeving