Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2.4

Identificatieplicht

Onderdeel van Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Duiven 2023

1.. De Wmo vereist dat het college de identiteit van een cliënt vaststelt. Dit gebeurt tijdens het gesprek en dit moet aan de hand van een geldig document in de zin van de Wet op de identificatieplicht. De cliënt toont bijvoorbeeld zijn rijbewijs, Nederlandse identiteitskaart, nationaal paspoort, diplomatiek paspoort of een document in het kader van het Gemeenschapsrecht. 2.. Ook reisdocumenten voor vreemdelingen kunnen een geldig identiteitsbewijs zijn. Het gaat dan om documenten in de zin van de Vreemdelingenwet 2000, waaruit blijkt wie de vreemdeling is en wat zijn verblijfsrechtelijke positie is. Dit laatste is belangrijk omdat een vreemdeling slechts in aanmerking kan komen voor een maatwerkvoorziening als hij rechtmatig verblijf houdt in Nederland in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l van de Vreemdelingenwet. Op (de achterkant van) het verblijfsdocument staat vermeld op welke grondslag de vreemdeling in Nederland verblijft. Op die eis van rechtmatig verblijf geldt één uitzondering. Bij (eventuele) opvang in verband met risico’s voor de veiligheid van de betrokkene als gevolg van huiselijk geweld geldt dit niet. 3.. De consulent legt in het systeem vast of de identiteit is vastgesteld.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel