1.. Het college weigert de uitkering voor de duur van één maand naar de mate waarin de belanghebbende uit of in verband met arbeid inkomen als bedoeld in artikel 8 van de IOAW of IOAZ zou hebben kunnen verwerven als:

  • - aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende een verwijt kan worden gemaakt;
  • - de dienstbetrekking is beëindigd door op of verzoek van belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd;
  • - de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden of
  • - de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.