Het bestuursorgaan stelt bij de start van elk participatieproces waarbij de gemeente initiatiefnemer is, een startnotitie op, gekoppeld aan het initiatief, of het projectplan, of Plan van Aanpak, waarin in ieder geval de volgende punten beschreven staan:
het doel en de intentie van de participatie;
het niveau van de participatie, waarbij een keuze wordt gemaakt uit: raadplegen, adviseren, coproduceren of meebeslissen, of een combinatie hiervan en de wijze waarop de inbreng van inwoners zal doorwerken in de besluitvorming als bepaald in artikel 5;
de kernvragen, de beïnvloedingsruimte en de inhoudelijke, financiële en overige kaders voor de participatie;
de te betrekken doelgroepen, de wijze waarop verschillende groepen inwoners worden benaderd, de openbaarheid van informatie en de wijze waarop de deelnemers hun inbreng kunnen leveren;
de begrote kosten van het participatieproces;
de afweging of alleen inwonerparticipatie, of alleen inspraak als bepaald in artikel 7, of zowel inwonerparticipatie als inspraak van toepassing is, en de te hanteren inspraakprocedure.
Het bestuursorgaan maakt voor de start van het participatieproces het voornemen hiertoe bekend op de voor dat proces geschikte wijze.
Bij inwonerparticipatie waarbij het college het bevoegd bestuursorgaan is, informeert het college de gemeenteraad zo snel mogelijk door toezending van de in het eerste lid bedoelde startnotitie.
Het college kan voor specifieke beleidsterreinen nadere regels vaststellen over participatie.
Hoofdstuk 2
Artikel 4.
Participatieproces
Onderdeel van Participatieverordening Leidschendam-Voorburg 2023