Op 1 maart 1999 is de Woonwagenwet ingetrokken en werd het woonwagenbeleid gedecentraliseerd. Gemeenten werden formeel ontslagen van de verplichting om exclusief beleid voor woonwagenbewoners te formuleren. Hierdoor werden allerlei bijzondere maatregelen en voorzieningen opgeheven die woonwagenbewoners en standplaatsen hadden om in het reguliere beleidsproces een plaats te krijgen. Met afschaffing van de Woonwagenwet hadden woonwagenbewoners geen uitzonderingspositie meer op de woningmarkt. Bijzondere rechten, zoals het recht op een standplaats, vervielen. Ook waren de woonwagenbewoners voortaan gewoon ‘burgers’, die zich slechts onderscheiden omdat ze in een woonwagen wonen. Wonen in een woonwagen was een wens geworden en geen recht.
Na het intrekken van de Woonwagenwet is het aantal woonwagenstandplaatsen in Nederland sterk verminderd. Dit was aanleiding voor woonwagenbewoners om hun positie bij verschillende instanties te agenderen. Hierop hebben nationale en Europese (rechtelijke) instanties zich uitgesproken over de invulling van mensenrechten en de huisvesting van woonwagenbewoners. Op 12 juli 2018 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een brief en een beleidskader ‘Gemeentelijke woonwagen- en standplaatsenbeleid’ (hierna: beleidskader (2018)) naar de Tweede Kamer gezonden. Dit beleidskader is een handreiking waarvan de minister verwacht dat het aanleiding is voor gemeenten om woonwagenbeleid op te stellen en/of aan te passen.
Hoofdstuk 1:
Artikel 1.2
Geschiedenis van het woonwagenbeleid in Nederland
Onderdeel van Woonwagen- en standplaatsenbeleid