Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2:

Artikel 2.2

Huisvestingswet 2014

Onderdeel van Woonwagen- en standplaatsenbeleid

De gemeenten zijn op grond van de Huisvestingswet primair verantwoordelijk voor het beleid ten aanzien van, en het toezicht op, woonruimteverdeling. Dit behelst het treffen van de benodigde maatregelen ten behoeve van een goede huisvesting voor ingezetenen, ongeacht of zij in een woning, een woonwagen of een woonschip willen wonen. Een gemeente kan op grond van artikel 2, eerste lid van de Huisvestingswet gebruik maken van de bevoegdheid om een bepaalde mate van voorrang te geven aan bepaalde groepen die te maken hebben met schaarste aan woonruimte. De VNG stelt: “Dit wordt gelegitimeerd indien sprake is van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte”. Deze exclusieve regeling van overheidsinterventie betekent in het geval van gebleken schaarste aan woonwagenstandplaatsen voor woonwagenbewoners, en overeenkomstig met het mensenrechtenkader, dat huisvestingsbeleid voor deze groep gericht moet zijn op de bevordering van het kunnen wonen in een woonwagen, als onderdeel van de culturele identiteit, waarbij de gemeente een specifieke regeling mag treffen voor deze groep. Daarnaast bevat de Huisvestingswet mogelijkheden om in de gemeentelijke huisvestingsverordening specifieke regels voor woonwagens te treffen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel