Het Ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties heeft in 2018 het beleidskader uitgebracht. Het doel van dit beleidskader is het waarborgen van de specifieke woonbehoefte van woonwagenbewoners. Dit beleidskader fungeert als grondslag voor het onderhavige beleid en is gebaseerd op de adviezen van zowel het College voor de Rechten van de Mens als de Nationale ombudsman en op uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.
De regelgeving dwingt juridisch geen extra standplaatsen af. Maar de rijksoverheid, provincies en gemeenten moeten wel voldoen aan de mensenrechtelijke verplichtingen, zoals vastgelegd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en onze Grondwet. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft ook bepaald dat leven in een woonwagen een essentieel onderdeel is van de cultuur van Roma, Sinti en woonwagenbewoners. Deze woonwagencultuur is in Nederland inmiddels benoemd tot immaterieel cultureel erfgoed en wordt door mensenrechten beschermd.
Het juridisch mensenrechtelijk kader wordt gevormd door drie grondbeginselen: recht op huisvesting, recht op gelijke behandeling en recht op gezinsleven.
Onderstaand worden deze drie grondbeginselen kort toegelicht:
Recht op huisvesting
Op grond van artikel 22 van de Grondwet heeft de overheid een inspanningsverplichting om voor iedereen te voorzien in adequate huisvesting. De overheid heeft een inspanningsverplichting om te voorzien in onder meer veilige, passende en betaalbare huisvesting, waarbij ook rekening wordt gehouden met culturele identiteit. Hierdoor heeft het recht op huisvesting ook gevolgen voor de wijze waarop wordt voorzien in de huisvesting van woonwagenbewoners. Het is vervolgens aan gemeenten om op lokaal niveau invulling te geven aan de huisvestings- en woningwet in hun gemeentelijk woonbeleid.
Recht op gelijke behandeling en verbod op discriminatie
Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat woonwagenbewoners niet nadeliger mogen worden behandeld vanwege het feit dat zij woonwagenbewoners zijn. Het materiële gelijkheidsbeginsel houdt in dat ongelijke gevallen ongelijk behandeld mogen worden naarmate hun verschil. Bij woonwagenbewoners gaat het om ongelijke gevallen, omdat deze specifieke woonvorm (een woonwagen) voor hen een wezenlijk onderdeel is van hun cultuur en identiteit. Daarom kan hun woonbehoefte niet gelijkgesteld worden aan bewoners van reguliere woningen.
De bijzondere beschermingspositie van woonwagenbewoners vloeit voort uit het gelijkheidsbeginsel. Het College voor de Rechten van de Mens heeft hierover geoordeeld dat een uitsterfbeleid, dat gericht is op het laten verdwijnen van woonwagenbewoning in een gemeente, discriminerend is. Daarnaast heeft het College voor de Rechten van de Mens bepaald dat gemeentelijk beleid dat gericht is op het reduceren van standplaatsen strijdig kan zijn met het discriminatieverbod en de mensenrechten; zeker wanneer daarbij geen rekening wordt gehouden met de behoefte aan standplaatsen.
Recht op eerbiedigen van privé-, familie-, en gezinsleven
In het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) is in artikel 8 bepaald dat iedereen recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Voor het bepalen of een woonwagen aan valt te merken als een woning is bepalend dat de bewoner een voldoende en voortdurende band heeft met een specifieke woonwagen (standplaats). Ook als een woonwagenbewoner niet officieel ingeschreven staat (in BRP en/of bij een woningstichting) op een woonwagenlocatie, de wagen wordt gehuurd of bewoond zonder dat men ingeschreven staat, kan deze toch aangemerkt worden als zijn of haar ‘home’.
Woonwagenbewoners hebben een van generatie op generatie overgedragen cultuur waarbij het wonen in onderlinge verbondenheid in een woonwagen bepalend is. Daarom is het onvoldoende om woonwagenbewoners reguliere huisvesting te bieden en geen rekening te houden met hun specifieke woonbehoefte. Dit betekent niet dat iedere woonwagenbewoner per direct een standplaats moet krijgen, maar wel dat er binnen afzienbare termijn kans op een standplaats moet zijn. Niet van belang is of een woonwagenbewoner tijdelijk in een reguliere woning heeft gewoond. Zolang de bewoner de intentie had om terug te keren naar het woonwagenleven, dient rekening te worden gehouden met deze woonbehoefte. Wanneer iemand aanspraak wenst te maken op een woonwagenstandplaats in een bepaalde gemeente, kan diegene dat kenbaar maken door zich in te schrijven als standplaatszoekende bij een woningstichting die in de desbetreffende gemeente actief is in de verhuur van woonwagenstandplaatsen.