Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5 › Paragraaf 5.1

Artikel 5.1.5

Meten & monitoren

Onderdeel van Water en Rioleringsprogramma 2024-2030

Binnen het project ‘Samen meten en monitoren’ werkt de gemeente in NAD-verband aan een gezamenlijke aanpak voor meten en monitoren. Deze aanpak bestaat op hoofdlijnen uit twee sporen: een technisch spoor en een procesmatig spoor. Technisch spoor De technische monitoring is gericht op de verzameling, verwerking en analyse van systeem gegevens. Dit bestaat o.a. uit: Monitoren van de toestand van het systeem; Monitoren van het functioneren van het rioolsysteem. Procesmatig spoor Een ander deel van de monitoring richt zich op de voortgang van de gestelde samenwerkingsdoelen voor kwaliteit, kwetsbaarheid en kosten. Het NAD monitort de gestelde doelmatigheidswinsten aan de hand van de lokale lasten afgezet tegen de prognose van de riool- en zuiveringsheffing. Hiermee worden de effecten van de samenwerking voor de burger/belastingbetaler direct zichtbaar gemaakt; Daarnaast monitort het NAD de ontwikkeling van de kwetsbaarheid aan de hand van een jaarlijkse vragenlijst over hoe de kwetsbaarheid in de eigen organisatie wordt ervaren. Hoe wordt te werk gegaan? In het kader van het (gezamenlijk) meten en monitoren wordt eerst het doel van de meting bepaald, de gegevens die nodig zijn, de meetnauwkeurigheden die daarbij horen en de benodigde informatie die uit de metingen kunnen worden gehaald. Aan de hand daarvan wordt een gebied dekkend of locatie specifiek meetplan opgesteld, gerealiseerd en onderhouden. Foutaansluitingen Foutaansluitingen kunnen leiden tot zowel waterkwaliteitsknelpunten in het watersysteem (lozing van vuilwater op hemelwaterriool) als hydraulische knelpunten in de riolering of op de afvalwaterzuivering (lozing van hemelwater op vuilwaterriool). Meetnet riolering De gemeente beschikt al sinds 2015 over een goed functionerend rioleringsmeetnet. De meetdata zijn gebruikt om te toetsen in hoeverre het theoretische rioleringsmodel afwijkt van de praktijk. Uit deze toetsing kwam naar voren dat het model de waterstanden in de riolering overschat ten opzichte van de praktijk. Verder blijkt uit analyse van de afvoervolumes van de hoofdrioolgemalen dat er sprake is van een significante hoeveelheid rioolvreemd water. Mogelijke bronnen kunnen zijn: Instromend oppervlaktewater via overstorten; Grondwater. De gemeente gaat in de komende planperiode nader uitzoeken waar dit rioolvreemd water vandaan komt en gaat bepalen wat mogelijke maatregelen zijn om dit rioolvreemd water te verminderen. Vermindering van de hoeveelheid rioolvreemd water voorkomt dat de rioolgemalen meer water moeten verpompen dan nodig is en daarmee kan op energiekosten en onderhoudskosten worden bespaard.

Rechtspraak bij dit artikel