1. De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per programma.

2. Bij de begrotingsbehandeling stelt de raad de 1e jaarschijf van het uitvoeringsplan vast en neemt kennis van de jaarschijven 2, 3 en 4. Het college is na deze autorisatie bevoegd om gedurende het jaar conform het uitvoeringsplan kredieten uit de 1e jaarschijf beschikbaar te stellen. De raad formaliseert de beschikbaar gestelde kredieten bij het 1e of 2e concernbericht of eventueel bij een afzonderlijk raadsvoorstel.

3. Het college informeert de raad als ze verwacht dat de lasten van een programma de geautoriseerde lasten dreigen te overschrijden, de investeringsuitgaven van een investeringskrediet het geautoriseerde investeringskrediet dreigen te overschrijden. Dit geldt voor iedere individuele afwijking van € 100.000 of meer.

4. Overschrijdingen tot een maximum van € 100.000 of feitelijk budgettair neutrale activiteiten worden door het college in de eerstvolgende tussenrapportage aan de raad voorgelegd.

5. Bij de behandeling van de tussentijdse rapportages in de raad bedoeld in artikel 6, lid 1, doet het college voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde baten en lasten, het formaliseren van de geautoriseerde investeringskredieten en het bijstellen van het beleid. In geval van investeringen met een meerjarig karakter stelt het college de raad voor om ook deze meerjarige budgetten te autoriseren.

6. Bij voorstellen, zowel aanpassing van de exploitatie als investeringen, van meer dan € 1 miljoen als bij onttrekkingen van meer dan € 250.000 aan de algemene reserve wordt, voor definitieve besluitvorming door de raad, een geactualiseerde stresstest aan de auditcommissie voorgelegd.