Wanneer de inburgeringsplichtige niet verschijnt voor de brede intake of onvoldoende meewerkt aan de brede intake, geeft het college hem een schriftelijke waarschuwing. In de schriftelijke waarschuwing vermeldt het college:
een nieuwe datum en tijdstip voor de brede intake;
wat de gevolgen zijn als de inburgeringplichtige niet op de brede intake verschijnt of niet aan de brede intake meewerkt, zoals beschreven in het derde lid.
Tussen de datum van de waarschuwing en de brede intake liggen minimaal vijf werkdagen.
Wanneer de inburgeringsplichtige na de waarschuwing niet verschijnt voor de brede intake of onvoldoende meewerkt aan de brede intake legt het college hem een boete op. Het college stelt de inburgeringsplichtige in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen over het voornemen tot het opleggen van een boete. Het college volgt daarbij de procedure van artikel 5:50 Awb. In de boetebeschikking vermeldt het college:
een nieuwe datum en tijdstip voor de brede intake;
wat de gevolgen zijn als de inburgeringplichtige niet op de brede intake verschijnt of niet aan de brede intake meewerkt, zoals beschreven in het vijfde lid.
Tussen de datum van het boetebesluit en de brede intake liggen minimaal vijf werkdagen en maximaal twee maanden.
Wanneer de inburgeringsplichtige na de boete niet verschijnt voor de brede intake of onvoldoende meewerkt aan de brede intake legt het college hem een boete op en voltooit het college de brede intake in afwezigheid van de inburgeringsplichtige. De tweede en derde volzin van het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Het college legt met toepassing van artikel 5:5 Awb geen bestuurlijke boete op voor zover voor de overtreding een rechtvaardigingsgrond bestond.
Het college legt met toepassing van artikel 5:41 Awb geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de inburgeringsplichtige kan worden verweten.
Het college legt met toepassing van artikel 5:42, eerste lid, Awb geen bestuurlijke boete op als de inburgeringsplichtige is overleden.
Het college legt met toepassing van artikel 5:43 Awb en artikel 5:50, tweede lid, onderdeel a, Awb geen bestuurlijke boete op indien aan de inburgeringsplichtige wegens dezelfde overtreding al eerder een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel, nadat hij zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, een kennisgeving is bekendgemaakt dat geen bestuurlijke boete zal worden opgelegd.
Het college verlaagt de wettelijke boete met toepassing van artikel 5:46, derde lid, Awb als de inburgeringsplichtige aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.