1. Gedurende het begrotingsjaar komen begrotingswijzigingen niet t.l.v. of t.g.v. de algemene reserve. Bij de jaarrekening komt het jaarresultaat t.g.v. of t.l.v. de algemene reserve.
2. Het resultaat van grexen wordt toegevoegd/onttrokken aan de algemene reserve. Indien dit bij de tussentijdse rapportages bekend is, wordt het dan meegenomen.
3. Afwijkingen van de vastgestelde begroting:
a. Verwachte tekorten op een budget worden in eerste instantie opgelost binnen het taakveld en als dat niet kan binnen het programma. Gedurende het jaar wordt een verwacht tekort niet tussen programma’s gecompenseerd om te voorkomen dat er onnodig en/of verkeerd wordt bijgestuurd op strategisch belangrijke onderwerpen.
Uitgezonderd hiervan zijn de algemene dekkingsmiddelen (zoals OZB, rente en Gemeentefonds). Meevallers in de algemene dekkingsmiddelen worden in het betreffende begrotingsjaar in beginsel niet gebruikt voor extra uitgaven. Tegenvallers in de algemene dekkingsmiddelen leiden in beginsel in het betreffende begrotingsjaar niet tot bezuinigingen op budgetten.
b. Lager dan begrote uitgaven mogen worden ingezet ter compensatie van tegenvallers binnen hetzelfde programma.
c. Hoger dan begrote inkomsten bij taakvelden komen ten gunste van de algemene dekkingsmiddelen of een uit hoofde van een gesloten circuit aan het beleidsterrein gekoppelde reserve of voorziening en worden niet direct of automatisch ingezet voor extra uitgaven.
d. Indien een extra bate wordt verkregen van een medeoverheid (bijv een taakmutatie in de algemene uitkering) of andere externe partij, dan wordt beoordeeld of het uitgavenbudget aanvullend verhoogd moet worden of niet.
4. Afwijkingen van beschikbaar gestelde kredieten:
a. Verwachte overschrijdingen van een krediet voor de onderdelen bedrijfsvoering/-middelen, vastgoed en openbare ruimte worden binnen de totale ruimte van deze moederkredieten opgevangen.
b. Bij aanbestedingsvoordeel wordt het beschikbaar gestelde krediet met 75% van het aanbestedingsvoordeel (afgerond op € 1.000) verlaagd. Het voordeel valt vrij in het saldo van de moederkredieten van het betreffende jaar.
5. Budgettair neutrale begrotingswijzigingen, rekeninghoudend met hetgeen is opgenomen in lid 3, worden:
a. door de raad vastgesteld als ze programma overstijgend zijn. Ze worden aan de raad voorgelegd bij de eerst volgende tussentijdse rapportage
b. door het college vastgesteld als ze taakveld overstijgend zijn, maar binnen het programma budgettair neutraal zijn
c. door de budgethouder(s) vastgesteld als ze binnen hetzelfde taakveld budgettair neutraal zijn
6. Incidentele budgetten die voor een specifieke taak/project beschikbaar zijn gesteld mogen bij niet volledige besteding in het jaar dat ze beschikbaar zijn gesteld worden overgeheveld. Uitgangspunt is dat hiervan in het 2e Concernbericht een melding wordt gemaakt. Bij de jaarrekening wordt het exact over te hevelen bedrag vastgesteld en wordt dit bedrag aan de raad kenbaar gemaakt. Wanneer het niet in het 2e Concernbericht is gemeld kan het nog meegenomen worden bij de resultaatbestemming van de jaarrekening.
7. Voor het lopende jaar wordt in beginsel geen nieuw beleid of intensivering van bestaand beleid verwerkt. Dit wordt integraal afgewogen bij het beleidskader of begroting. Hierop geldt de volgende uitzondering:
a. Voorstellen voor nieuw beleid of intensivering mogen alleen tussentijds worden voorgelegd wanneer het voorstel voldoet aan de twee O’s (onuitstelbaar en onvermijdelijk). Wanneer de financiële gevolgen meer dan € 100.000 bedragen worden deze met een raadsvoorstel aan de raad voorgelegd en anders meegenomen bij de tussentijdse rapportages.
b. Voorstellen voor nieuw beleid of intensivering van bestaand beleid mogen tussentijds worden voorgelegd wanneer er (structurele) dekking is gevonden binnen de financiële kaders.