1.
Woon-, winkel- en industriewijken zijn altijd door tenminste twee onafhankelijke wegen voor gemotoriseerd verkeer bereikbaar.
2.
Gebouwen zijn vanuit twee richtingen te benaderen, tenzij de beschikbare rijbreedte tenminste 5,5 m is. De vrije doorrijbreedte is minimaal 3,5 m.
3.
De bereikbaarheid door hulpdiensten is aangetoond met een rijcurve-programma.
4.
In verband met de afmetingen van de voertuigen is overal een vrije doorrijbreedte van minimaal 4,5 m en een vrije doorrijhoogte van minimaal 4,2 m (eis brandweer).
5.
Een minimale binnen radius van >R5,5 m en een buiten radius van >R10 m is vereist.
6.
Er vindt door de initiatiefnemer vooroverleg met de brandweer plaats om te bepalen of het wenselijk is een opstelplaats brandweervoertuig van 5 m breed en 10 m lang aan te leggen en de ruimte hiervoor in het stedenbouwkundige plan te
reserveren. De eventuele opstelplaats is bepaald op basis van een bouwwerk/gebouw in relatie tot inzetdiepte (hoeveel OP’s) en hoogte van het gebouw (valschaduw bij instorting).
7.
De afstand tussen de opstelplaats van een blusvoertuig op de openbare weg en een woonhuis is niet meer dan 40 meter. Voor een woongebouw is deze afstand maximaal 15 m. Voor de overige bouwwerken bedraagt de afstand maximaal 10 m.
8.
Bruggen in aanrijroutes zijn geschikt voor voertuigen met een asbelasting van minimaal 12 ton voor redvoertuigen en 8 ton voor blusvoertuigen.
9.
In een door middel van breek- of klappalen afsluitbare straat zijn maatregelen getroffen om te voorkomen dat deze voorzieningen worden geblokkeerd. Slotvoorzieningen op de palen kunnen alleen in overleg met de brandweer en andere hulpdiensten worden geplaatst.
Hoofdstuk 5 › Paragraaf 5.1
Artikel 5.1.2
Bereikbaarheid hulpdiensten/brandweer
Onderdeel van Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (LIOR) 2023