Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Tijdelijke woonvoorziening in geval van (ver)bouw

Onderdeel van Beleidsregels planologische afwijkingsmogelijkheden Enschede 2023

Aan een verzoek voor het plaatsen van een tijdelijke woonvoorziening (bijvoorbeeld woonunit, stacaravan) of het tijdelijk bewonen van een (bestaand) gebouw op het perceel in geval van (ver)bouw van de woning, wordt meegewerkt als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: De aanvrager onderbouwt dat er sprake is van een tijdelijke behoefte van de woonvoorziening en voor welke periode deze noodzakelijk is (met een maximum van 2 jaar). Dit kan bijvoorbeeld door het overleggen van een planning van de (ver)bouwwerkzaamheden; Er is een omgevingsvergunning verleend voor de betreffende verbouw van de woning of de (vervangende) woningbouw dan wel het verzoek tot plaatsing van de tijdelijke woonvoorziening of het verzoek om tijdelijk te wonen in een (bestaand) gebouw wordt in één gezamenlijke aanvraag ingediend met de activiteit (ver)bouw van het hoofdgebouw. Dit geldt niet wanneer de (ver)bouw vergunningsvrij is of in geval van een calamiteit; Als de bestaande woning vergunningsvrij wordt verbouwd, moet uit een beschrijving van deze bouwwerkzaamheden (gevoegd bij het aanvragen van een tijdelijke woonvoorziening) blijken dat de woning tijdelijk niet bewoonbaar is; Na afloop van de vergunde termijn – of eerder wanneer de te (ver)bouwen woning is betrokken – moet de tijdelijke woonvoorziening zijn verwijderd, dan wel de tijdelijk vergunde bewoning worden gestaakt. Het kan zijn dat een deel van de voor bewoning aangebrachte voorzieningen (zoals een keuken) daarbij moet worden verwijderd; De woonunit of het (bestaande) gebouw mag uitsluitend bewoond worden door de toekomstige bewoners van de te (ver)bouwen woning; Een toetsing aan de algemene afwegingscriteria zoals opgenomen in artikel 8 moet tot een positief resultaat leiden. Daarnaast geldt aanvullend bij het plaatsen van een tijdelijke woonvoorziening: De tijdelijke woonvoorziening moet worden geplaatst op of direct grenzend aan het perceel behorende bij de bestaande woning die wordt verbouwd c.q. op de bouwkavel; De tijdelijke woonvoorziening mag binnen de bebouwde kom niet voor de voorgevel van de bestaande woning worden gebouwd; De tijdelijke woonvoorziening moet binnen de bebouwde kom minimaal 3 meter van de naburige perceelsgrenzen (zij- en achterpercelen) worden gebouwd; De tijdelijke woonvoorziening heeft een maximale hoogte van 3,5 meter; Na het plaatsen van de woonvoorziening, moet er voldoende ruimte over zijn voor het opslaan van bouwmaterialen op eigen terrein; Er wordt geen tijdelijke woonvoorziening toegestaan ten behoeve van een nieuw te bouwen woning in een nieuwbouwwijk binnen de bebouwde kom (herontwikkeling- en uitbreidingslocaties).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel