Het college heeft het onderzoek voor maatschappelijke opvang gemandateerd aan de GGD Gelderland-Zuid. Toegang tot de vrouwenopvang is gemandateerd aan Moviera. Cliënten kunnen zich rechtstreeks tot de opvanginstellingen wenden waarmee Nijmegen als centrumgemeente afspraken heeft. Het onderzoek wordt door de GGD (Centrale toegang maatschappelijke opvang) of Moviera (vrouwenopvang) uitgevoerd. In de regio rijk van Nijmegen en Rivierenland werken we bij maatschappelijke opvang conform de regels zoals benoemd in de ‘model-beleidsregels landelijke toegankelijkheid van de maatschappelijke opvang voor ingezetenen van Nederland 2019’. De algemene principes van de Wmo zoals gebruik maken van eigen kracht, het sociale netwerk, rekening houden met voorzienbare omstandigheden e.d. zijn ook hier van toepassing. Als iemand bijvoorbeeld zijn woning verloren heeft, maar bij familie of vrienden kan overnachten, is opvang niet nodig. Opvang is tevens geen hostel voor mensen die bijvoorbeeld op reis zijn en een goedkope overnachtingsplek zoeken.
4.3.1 Algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen
Binnen de opvang kan onderscheid worden gemaakt tussen algemene en maatwerkvoorzieningen. Onder algemene voorzieningen vallen de dag- en nachtopvang en bemoeizorg. Onder maatwerkvoorzieningen vallen alle vormen van voltijdopvang, de crisisopvang en vrouwenopvang en begeleidingstrajecten tijdens (bijv. budgetbeheer) of na opvang (bijv. woonbegeleiding). De algemene voorzieningen in de gemeente zijn in principe toegankelijk voor iedereen met (dreigende) dak- of thuisloosheid, een lichte toegangstoets wordt door de zorgaanbieders uitgevoerd. De toets bestaat uit het nagaan of de cliënt tot de doelgroep, namelijk (dreigend) dak- of thuisloos, behoort. De algemene voorzieningen zijn voorliggend op maatwerkvoorzieningen.
4.3.2 Beoordeling – melding en (eerste) opvang
Maatschappelijke opvang
In de kern is de maatschappelijke opvang bedoeld voor mensen die nergens anders terecht kunnen en die gebaat zijn bij tijdelijke ondersteuning voor het zoeken naar een duurzame oplossing op alle leefgebieden (ZRM-domeinen). Het is de taak om mogelijke uitval/terugval vroegtijdig te signaleren (preventie) en om gevonden oplossingen te helpen waarborgen (nazorg). Eerst wordt beoordeeld of iemand in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang. Die beoordeling vindt plaats op basis van toelatingscriteria:
De persoon heeft de Nederlandse nationaliteit, of houdt als vreemdeling rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000;
Toelichting: In uitzonderlijke situaties wordt ook aan ‘niet rechthebbenden’ tijdelijk toegang verleend tot de maatschappelijke opvang. Het gaat om situaties die mensonterend zijn, of waarbij zonder opvang kinderen (jonger dan 18 jaar) op straat zouden moeten verblijven. Grondslag hiervoor is de werking van de internationale mensenrechtenverdragen, met name artikel 8 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM);
De persoon is feitelijk of residentieel dakloos, al dan niet voorafgaand aan opname in (psychiatrisch) kliniek, of aan detentie;
Toelichting: Om vast te kunnen stellen of iemand feitelijk dan wel residentieel dakloos is wordt de woongeschiedenis van de persoon in beeld gebracht met behulp van de zogenoemde ZRM. Met de ZRM kan een triagist een gestandaardiseerde beoordeling geven van de zelfredzaamheid van een persoon. Onder zelfredzaamheid wordt daarbij verstaan: het vermogen om zich te kunnen redden in de huidige situatie op het gespecificeerde levensdomein. Het betreft daarbij de volgende levensdomeinen: inkomen, dagbesteding, huisvesting, gezinsrelaties, geestelijke gezondheid, fysieke gezondheid, verslaving, ADL vaardigheden, sociaal netwerk, maatschappelijke participatie en justitie.
De persoon is beperkt zelfredzaam op meerdere door het college aan te wijzen leefgebieden, en
De persoon beschikt niet over alternatieven die de situatie van feitelijke of residentiele dakloosheid op kunnen heffen;
In die situaties waarin terstond maatschappelijke opvang noodzakelijk is, beslist het college onverwijld tot verstrekking van een voorziening maatschappelijke opvang in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag van de cliënt;
Indien het college niet onverwijld maatschappelijke opvang kan bieden waar dit wel terstond noodzakelijk is, treft het college maatregelen om onverwijld op een andere wijze of in een andere gemeente of regio tijdig te voorzien in de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke opvang.
Als een persoon voldoet aan bovenstaande criteria, wordt vervolgens beoordeeld in welke gemeente of regio een traject in de maatschappelijke opvang de grootste kans van slagen heeft, dat wil zeggen het meeste kan bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie (en daarmee het duurzaam herstel) van de cliënt. Als de regio Nijmegen de aangewezen plek voor opvang is, wordt vervolgens bij de plaatsing altijd voor de lichtst mogelijke oplossing gekozen, passend bij de mogelijkheden van de persoon. Om te bepalen in welke regio de kans op een succesvol traject voor de persoon het grootst is, wordt gekeken naar de volgende feiten en omstandigheden:
De aanwezigheid van een positief sociaal netwerk (familie en vrienden). Er kunnen ook redenen zijn om de persoon juist uit zijn oude sociale netwerk te halen;
Woonplaatsbeginsel: primair wordt gekeken wat de woonplaats was van de cliënt voor het ontstaan van dakloosheid. De woonplaats is hierbij de gemeente waarvan de cliënt ingezetene is in de zin van de Wet basisregistratie personen dan wel de woonplaats waarvan de cliënt onmiddellijk voorafgaande aan de melding ingezetene was in de zin van de Wet basisregistratie personen. Ingeval de woonplaats niet op grond van de onderdelen wet basisregistratie personen kan worden vastgesteld wordt de plaats van het werkelijke verblijf van de cliënt op het moment van de melding gehanteerd als ‘woonplaats’. De plaats waar de cliënt eerder gebruikt heeft gemaakt van ondersteuning;
Indien wordt vastgesteld wat de woonplaats was van de cliënt vóór het ontstaan van dakloosheid, wordt de uitvoering van het onderzoek in beginsel overgedragen aan deze gemeente van herkomst (dan wel het regionaal samenwerkingsverband maatschappelijke opvang waartoe de gemeente van herkomst behoort). Tot aan het moment van daadwerkelijke overdracht van de cliënt blijft het college maatschappelijke opvang bieden, dan wel blijft het college andere maatregelen treffen om op een andere wijze te voorzien in de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke opvang;
Bekendheid bij de hulpverlening, zorginstellingen, en/of maatschappelijke opvang-instellingen;
De voorkeur van de burger: gegronde redenen om tegemoet te komen aan de wens van de burger om in een bepaalde gemeente/regio te worden opgevangen.
Deze criteria zijn niet sluitend, noch limitatief, maar richtinggevend.
Toelichting: Indien gedurende het onderzoek, blijkt dat een traject in de maatschappelijke opvang mogelijk of waarschijnlijk in een andere gemeente of regio de grootste kans van slagen heeft, betrekt het college deze gemeente bij het onderzoek. Het college maakt met de andere gemeente of regio en de cliënt voorts concrete afspraken over: de datum van overdracht; welke aanbieder de cliënt maatschappelijke opvang, dan wel andere ondersteuning die in de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke opvang voorziet, zal bieden in de andere gemeente of regio; hoe het vervoer van de cliënt en eventuele reisbegeleiding plaatsvindt. Indien de cliënt weigert medewerking te verlenen aan de bedoelde overdracht, kan het college overgaan tot weigering van de aanvraag tot een voorziening maatschappelijke opvang.
Bij verschil van mening tussen het college en de andere gemeente of regio over de vraag welke gemeente of regio verantwoordelijk is voor het bieden van maatschappelijke opvang aan de cliënt, spant het college zich maximaal in om tot een oplossing te komen. Indien het college én de andere gemeente of regio niet tot een oplossing komen, kan het college het geschil voorleggen aan de Commissie Geschillen Landelijke toegankelijkheid. In afwachting van het oordeel van de commissie blijft het college een voorziening maatschappelijke opvang bieden, dan wel op andere wijze voorzien in de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke opvang. Het college volgt in het geschil het oordeel van de commissie.
Vrouwenopvang
In aanvulling op het voorgaande geldt specifiek voor vrouwenopvang het volgende. Vrouwenopvang is bedoeld voor mensen die zich in een gewelddadige thuissituatie bevinden en die gebaat zijn bij tijdelijke opvang. Deze tijdelijke opvang heeft ten eerste het doel het geweld acuut te stoppen. Ten tweede biedt de vrouwenopvang ondersteuning bij het zoeken naar een oplossing om het geweldig duurzaam te stoppen. Moviera beoordeelt toegang op basis van een gestandaardiseerde risicoscreening.
4.3.3 Weigeringsgronden
Toegang tot een opvangvoorziening kan worden geweigerd wanneer:
Een cliënt zich (na toegang tot de opvangvoorziening) niet houdt aan de huisregels (bijv. bij vertoon van geweld en agressief gedrag);
Een cliënt onveiligheid en overlast veroorzaakt;
Een cliënt niet bereid is om mee te werken aan een passend ondersteuningstraject;
Er sprake is van tegenstellende indicaties waardoor een opvangtraject geen geschikte vorm van maatschappelijke ondersteuning voor belanghebbende is (bijv. vanwege ernstige verslaving of acute psychische problematiek, waarvoor behandeling met opname in een instelling of kliniek noodzakelijk is);
De cliënt zich ernstig misdraagt jegens andere cliënten in de opvang of richting medewerkers van de opvanginstelling;
De eigen bijdrage (na veelvuldige waarschuwingen) niet betaald wordt;
Bij vrouwenopvang geldt daarnaast een weigeringsgrond als er geen sprake is van huiselijk geweld en/of geweld in een afhankelijkheidsrelatie.
4.3.4 Aanbod
Het aanbod maatschappelijke opvang is gericht op het (weer) zelfstandig kunnen wonen. Indien burgers toch in de opvangvoorziening geplaatst worden, is het van belang de verblijfsduur zo kort mogelijk te laten zijn. Daarom wordt er bij plaatsing niet alleen ‘bed, bad en brood’ geboden, maar ook een trajectplan opgesteld. Hierin worden afspraken gemaakt over zorg en ondersteuning door betrokken professionals en de verantwoordelijkheid van de cliënt gedurende het traject en daarna. Dit trajectplan is erop gericht de cliënt zo snel als mogelijk weer de regie over zijn of haar eigen leven te laten krijgen. Bij de uitplaatsing is het belangrijk om te komen tot een soepele overname van zorg en ondersteuning door het lokale netwerk.
Het traject in de vrouwenopvang is erop gericht om zo snel mogelijk weer zelfstandig te kunnen gaan wonen in een veilige thuissituatie.
4.3.5 Verstrekking
Opvang betreft een voorziening (deels algemeen en deels maatwerk) voor dak- en thuisloze burgers in nood. De voorziening is voor iedereen in natura toegankelijk die voldoet aan de genoemde criteria. Een persoonsgebonden budget is niet mogelijk voor opvang. In de eerste plaats is er bij opvang veelal sprake van een crisissituatie waarbij directe opvang noodzakelijk is. Daarnaast zijn er uit oogpunt van doelmatigheid bezwaren tegen het verstrekken van een pgb voor opvang vanwege de lage zelfredzaamheid van de doelgroep.
4.3.6 Eigen bijdrage
Cliënten betalen voor het gebruik van algemene voorzieningen geen inkomensafhankelijke eigen bijdrage. Voor de algemene voorzieningen kan door de instelling een bijdrage geheven worden die niet hoger is dan de kostprijs (bijvoorbeeld bijdrage voor maaltijden, beddengoed, douchen, wasmachine etc.).
Voor maatwerkvoorzieningen geldt dat burgers wel een inkomensafhankelijke eigen bijdrage betalen. De eigen bijdrage is inkomensafhankelijk. Daarbij dient de burger altijd minimaal de zak- en kleedgeldnorm uit de Participatiewet over te houden.
De bijdrage wordt geïnd door de gemeente waar de burger in een voorziening verblijft indien de betreffende burger gebruik maakt van een uitkering in het kader van de Participatiewet. De eigen bijdragen worden overgemaakt naar de instellingen. Indien de burger een andere vorm van inkomsten heeft, wordt de bijdrage door de instelling voor maatwerkvoorzieningen, namens de gemeente, voor opvang geïnd.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.3
Toegang
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Nijmegen 2024