Een wei met soortgenoten is nog altijd de beste plek voor hobbyhuisdieren, zowel uit het oogpunt van dierenwelzijn als uit het oogpunt van diergezondheid. De meeste hobbydieren zijn kuddedieren. De kleinst mogelijke kudde is dus een kudde van twee dieren. Onderzoek heeft aangetoond dat dieren die veel kunnen bewegen en de hele dag door kunnen grazen minder gezondheidsklachten hebben en bovendien vrij zijn van stereotiep gedrag. Vaak wordt aangenomen dat het dierenwelzijn bij hobbymatig gehouden dieren beter is geborgd dan bij bedrijfsmatig gehouden dieren, omdat de dieren vaak meer ruimte hebben en in veel kleinere aantallen worden gehouden. Maar dat blijkt lang niet altijd het geval te zijn. De welzijnsproblemen worden hier meestal veroorzaakt door onwetendheid; er is vaak sprake van een kennislacune. De houder kent bijvoorbeeld niet altijd de natuurlijke behoeftes van een dier of onderkent niet snel genoeg een ziekte bij een dier.
Taken en verantwoordelijkheden
Om het dierenwelzijn van hobbymatig gehouden dieren te verbeteren heeft de Minister van LNV (nu EL&I) op zich genomen om samen met de samenwerkende hobbydierorganisaties, zoals het Platform Kleinschalige Schapen– en Geitenhouderij en de Nederlandse werkgroep voor hobbymatig gehouden pluimvee en parkvogels te zorgen voor gerichte informatievoorziening over dierenwelzijn voor de doelgroep (Nota Dierenwelzijn, LNV 2008).
Hoofdstuk 3. › Paragraaf 3.7.
Artikel 3.7.2.
Gezelschap hobbydieren
Onderdeel van Nota dierenwelzijn Soest 2011