Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt de wettelijke planverplichting van het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP). De zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater komen niet te vervallen.
In de Omgevingswet zijn de zorgplichten (taken) van de gemeente als volgt geformuleerd:
Inzameling en transport van stedelijk afvalwater (artikel 2.16, lid 1a 3 Omgevingswet).
Zorg voor afvloeien hemelwater (artikel 2.16, lid 1a 1 Omgevingswet).
Zorg van structurele problemen grondwaterstanden (artikel 2.16, lid 1a 2 Omgevingswet).
Zorg voor een duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening (Drinkwaterwet, artikel 2).
Zuivering van stedelijk afvalwater, in gevallen waarin is gekozen voor een alternatief voor centrale zuivering door het waterschap (artikel 2.16, lid 1a 5 Omgevingswet).
Daarnaast volgt uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 3.17) dat de gemeente er zorg voor draagt dat een openbaar vuilwaterriool zo wordt ontworpen, gebouwd en onderhouden dat:
het zoveel mogelijk berekend is op de eigenschappen, samenstelling en hoeveelheid van het afvalwater,
lekkage zoveel mogelijk wordt voorkomen, en
het aantal overstortingen zo beperkt is als voor een doelmatig beheer van afvalwater mogelijk is.
Volgens de Omgevingswet (artikel 2.2) houdt een bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden rekening met de taken en bevoegdheden van andere bestuursorganen en stemt zo nodig met deze andere bestuursorganen af. Dit betekent dat gemeente, waterschap en drinkwaterbedrijf elkaar vroegtijdig betrekken in plan- en ontwikkelprocessen.
Met de aanleg en het onderhoud van riolering, transportleidingen, afvalwaterzuiveringen en andere voorzieningen geven de gemeenten en het waterschap invulling aan bovengenoemde zorgplichten. Het dagelijks beheer van beide overheden is erop gericht om deze voorzieningen in stand te houden en optimaal te laten functioneren.