Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.1

Artikel 3.1.1

Bijzondere toetsingskaders

Onderdeel van Nota bodembeheer gemeente Deurne

Voor de volgende toepassingen gelden bijzondere regels welke afwijken van het generieke toetsingskader. Het betreft overigens wel landelijk beleid. Grootschalige toepassingen Onder grootschalige toepassingen wordt volstaan bouw- en wegconstructies (o.a. wegen, spoorwegen en geluidswallen), afdeklagen van saneringslocaties of stortplaatsen, ophogingen in waterbouwkundige constructies. Bij grootschalige toepassingen hoeft er niet getoetst te worden aan de bodemfunctieklasse en de bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende bodem. Hierdoor ontstaan er meer mogelijkheden voor het hergebruiken van licht verontreinigde grond. Om het milieu in voldoende mate te beschermen gelden de volgende specifieke kwaliteitseisen en toepassingsvoorwaarden: de grootschalige toepassing heeft een minimaal volume van 5.000 m3; de grootschalige toepassing heeft een minimale toepassingshoogte van 2,0 meter (voor (spoor)wegen 0,5 meter); de grootschalige toepassing moet worden afgedekt met een leeflaag van minimaal 0,5 meter en de kwaliteit van de leeflaag moet aansluiten bij de bodemkwaliteit uit de omgeving (toepassingskaart). Uitzonderingen hierop vormen: grootschalige toepassingen onder wegen (deze worden afgedekt met een verhardings-constructie); grootschalige toepassingen in bermen en taluds bij rijkswegen, provinciale wegen en spoorwegen (tot maximaal 10 m uit de weg mag grond/baggerspecie van maximaal de kwaliteitsklasse industrie worden toegepast als afdeklaag); de grootschalige toepassing moet voor uitloging voldoen aan de geldende emissie(toets)waarden zoals opgenomen bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit [2]. Omdat het niet is toegestaan dat de grootschalige bodemtoepassing definitief onderdeel gaat uitmaken van de bodem, kan bijvoorbeeld bij ophogingen van industrieterreinen en woningbouwlocaties niet worden gekozen voor het toetsingskader van een grootschalige bodemtoepassing. De toepassing moet blijvend worden beheerd. Dit betekent dat er een aanwijsbare beheerder moet zijn die de toepassing in stand houdt in de vorm en hoeveelheid waarin deze is toegepast en staat geregistreerd. Verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen Voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen geldt een bijzonder toetsingskader met acceptatieplicht voor de aangelanden op basis van de Keur van waterschappen [17]. Voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen gelden de volgende voorwaarden: voor onderhoudsspecie waarvan de kwaliteit voldoet aan de Maximale Waarden voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzende perceel zoals opgenomen bijlage B van de Regeling bodem-kwaliteit [2] geldt de ontvangstplicht; de baggerspecie mag tot aan de perceelsgrens worden verspreid; er hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem; de verspreiding over aangrenzende percelen hoeft niet te worden gemeld. Het toetsingskader geldt niet voor verspreiding van baggerspecie afkomstig vanuit de omgeving van riooloverstorten. Deze worden als puntbronnen aangemerkt en vallen buiten de reikwijdte van het Besluit bodemkwaliteit. Toepassingen in oppervlaktewater Voor het toepassen van grond of baggerspecie in oppervlaktewater wordt alleen getoetst aan de actuele waterbodemkwaliteit en niet aan de bodemfunctie. Tevens geldt er voor de waterbodem een andere normstelling en kwaliteitsklassenindeling. Het bevoegd gezag voor het toepassen van grond of baggerspecie in oppervlaktewater is de waterkwaliteitsbeheerder (Waterschap Aa en Maas). Het toepassen van grond of baggerspecie in oppervlaktewater valt buiten de reikwijdte van deze nota bodembeheer. Toepassingen aanvulgrond saneringslocaties Voor het toepassen van grond op saneringslocaties als aanvulgrond in een saneringsput wordt alleen getoetst aan de bodemfunctie en niet aan de kwaliteit van de omliggende bodem. Tijdelijke opslag Het Besluit bodemkwaliteit maakt onderscheid tussen verschillende vormen van tijdelijke opslag, die vooraf gaan aan een definitieve toepassing. De verschillende vormen en de bijbehorende voorwaarden zijn weergegeven in tabel 3.2. Tabel 3.2:Voorwaarden met betrekking tot opslagduur, kwaliteitseisen en meldingsplicht. Vorm van tijdelijke opslag Voorwaarden van het Besluit Maximale duur van de opslag Kwaliteitseisen Meldingsplicht Kortdurende opslag 6 maanden - Ja Tijdelijke opslag op landbodem 3 jaar Kwaliteit moet voldoen aan de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem Ja, met voorziene duur van opslag en eindbestemming Tijdelijke opslag in oppervlaktewaterlichaam 10 jaar Kwaliteit moet voldoen aan de kwaliteitsklasse van de ontvangende waterbodem Ja, met voorziene duur van opslag en eindbestemming Weilanddepot (opslag van baggerspecie op aangrenzend perceel) 3 jaar Alleen baggerspecie die voldoet aan de normen voor verspreiding over aangrenzende percelen Ja, met voorziene duur van opslag en eindbestemming Opslag bij tijdelijke uitname Looptijd van de werkzaamheden - Nee Wanneer niet aan de voorwaarden wordt voldaan,is alsnog een vergunning op grond van de Wet milieu-beheer of de Wet verontreiniging oppervlaktewateren vereist. Verder moet de opslag mogelijk zijn vanuit andere wet- en regelgeving (onder andere Wet ruimtelijke ordening of provinciale verordening), passen binnen het bestemmingsplan en moet rekening worden gehouden met de zorgplicht. Tijdelijke uitname In het Besluit bodemkwaliteit is tijdelijke uitname van grond en baggerspecie toegestaan zonder dat een kwaliteitsbepaling is uitgevoerd of een functietoets is gedaan en een melding is verricht (art. 36, derde lid). Enige voorwaarde is dat er geen tussentijdse bewerking plaatsvindt en dat de grond of baggerspecie op of nabij dezelfde plaats onder dezelfde condities weer wordt toegepast (ondergrond wordt weer ondergrond en bovengrond wordt weer bovengrond). De zorgplicht (art. 13 Wbb) is altijd van toepassing. Bovenstaande geldt in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Bij tijdelijke uitname is het in het kader van de CROW400 en de Wet bodembescherming wel nodig om vooraf inzicht te verkrijgen in de verwachte bodemkwaliteit. Hiervoor dient minimaal een historisch bodemonderzoek conform NEN5725 te worden uitgevoerd. In de nota van toelichting van het Besluit bodemkwaliteit [3] zijn een aantal randvoorwaarden gegeven voor het gebruik van de uitzondering van art. 36, derde lid uit het Besluit bodemkwaliteit. In het Handvat tijdelijke uitname van grond en baggerspecie [18] zijn deze regels verduidelijkt. Toelichting begrip ‘tussentijdse bewerking’: In het Besluit bodemkwaliteit is geen definitie opgenomen van het begrip bewerken. De toelichting van het Besluit bodemkwaliteit geeft voor tijdelijke uitname aan welke voorbeelden wel of niet onder het begrip bewerken vallen. De volgende voorbeelden worden gezien als bewerken (hierbij kan dus geen gebruik gemaakt worden van de uitzondering uit artikel 36, Bbk): het rijpen van baggerspecie, voor zover de tijdelijke verplaatsing hierop gericht is; het ontwateren van baggerspecie, voor zover de tijdelijke verplaatsing hierop gericht is; zandscheiding. De volgende voorbeelden vallen volgens de toelichting niet onder het begrip bewerken (hierbij kan dus wel gebruik gemaakt worden van de uitzondering uit artikel 36, Bbk): het uitzeven van bodemvreemde bestanddelen *); louter natuurlijke, niet gestimuleerde processen of omstandigheden, zoals verdamping, microbiële afbraak, natuurlijke oxidatie en reductie; wijziging van de structuur van de grond of baggerspecie, zoals ten gevolge van graafwerkzaam-heden of het ploegen van landbouwgronden. Let op: het uitzeven van bodemvreemde bestanddelen gericht op een milieuhygiënische kwaliteitsverbetering (bijvoorbeeld het uitzeven van asbesthoudende materialen) valt niet onder deze uitzondering. Dit wordt gezien als een bewerking (reinigen van verontreinigde grond). Voor dergelijke werkzaamheden is bovendien een erkenning voor de BRL 7500 [19] op grond van het Besluit bodemkwaliteit vereist. Toelichting begrip ‘toepassen onder dezelfde condities’: Toetsing aan kwaliteit en functie kan achterwege blijven omdat de betreffende handelingen ter plaatse niet tot (extra) aantasting van de bodem(functie) leiden. Om dit te waarborgen spreekt het artikel daarnaast over toepassen onder dezelfde condities. Van belang is dat samenstelling en emissie (uitloging) van de grond niet wijzigt. In de toelichting van het Bbk staan de volgende voorbeelden genoemd die niet aan de voorwaarde onder dezelfde condities voldoen: het toepassen van (niet gerijpte) baggerspecie op landbodem (natte toepassing wordt droge toepassing); het toepassen van grond afkomstig uit de kern van een weglichaam of geluidswal als afdeklaag van respectievelijk het weglichaam of de geluidswal (onderlaag wordt toplaag). Met het oog op de controleerbaarheid moet de grond of baggerspecie ook in dezelfde toepassing worden teruggebracht. In artikel 36 Bbk alsmede in de toelichting worden de woorden “dezelfde toepassing” expliciet genoemd. Toelichting begrip ‘op of nabij dezelfde plaats’: De term ‘op of nabij’ geeft enige speelruimte. Indien sprake is van dezelfde toepassing en aan de andere voorwaarden wordt voldaan, dan hoeft de grond of baggerspecie niet precies weer op de plaats van uitname te worden aangebracht. Hierbij kunnen de volgende voorbeelden worden gegeven: het in het kader van de (spoor)wegenbouw of –reconstructie wegnemen van bermgrond voorafgaand aan (spoor)wegverbreding en het opnieuw terugbrengen als bermgrond in de nieuwe berm (zelfde soort toepassing: berm wordt berm, maar niet op de exact zelfde plaats); bij het verplaatsen van een sloot wordt de grond die vrijkomt uit de nieuw te graven sloot gebruikt om de bestaande sloot mee te vullen (bodem wordt weer bodem). Samenvoegen van (kleine) partijen grond of baggerspecie Samenvoegen tot partij > 25 m3 Het samenvoegen van partijen grond of baggerspecie tot een partij die groter is dan 25 m3 is uitsluitend toegestaan door een BRL 9335 [20] of BRL7500 [19] gecertificeerd persoon of instelling (Art. 4.3.2 Regeling bodemkwaliteit). Samenvoegen tot partij < 25 m3 Het samenvoegen van partijen grond of baggerspecie van verschillende herkomst is uitsluitend toegestaan tot een hoeveelheid van 25 m3. Deze partij moet vervolgens worden afgevoerd naar een inrichting die erkend is voor de BRL 9335. Deze laatste uitzondering is gemaakt omdat het in de praktijk gebleken is, dat het voor veel hoveniers-bedrijven, gemeentewerven en kleine aannemers vanuit economisch oogpunt niet haalbaar is om een erkenning voor de BRL 9335 te behalen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel