Dit is de uitwerking is van de in paragraaf 9.7 aangekondigde overige thema’s.

Bodem

In de regio Midden-Holland is de draagkracht van de bodem slecht en bovendien zettingsgevoelig. Het risico op het ontstaan van bodemverontreiniging is daarom voor bepaalde activiteiten in de regio groter bij:

  • - het toepassen van grond en bagger om bodemdaling te compenseren;
  • - het afbreken van (ondergrondse) leidingen als gevolg van zettingen.

Als bijzondere taken op het gebied van bodem wordt daarnaast kort stilgestaan bij:

  • - bodemenergiesystemen;
  • - archeologie.

Grondverzet als compensatie van bodemdaling

Vanwege de slappe bodem moet er in de regio Midden-Holland veel bodem worden opgehoogd en wordt er dus veel grond verzet. Handhaving van grondstromen is daarom een speerpunt. De gehele grondstromenketen bestaat uit verschillende schakels. Bij elk van die schakels kunnen fouten worden gemaakt als gevolg waarvan de bodem verontreinigd kan raken. Door integraal samen te werken met ketenpartners is inzicht ontstaan in de meest prioritaire schakels, te weten:

  • - toepassen van grond/aanvullen;
  • - keuring/onderzoek van toe te passen partijen grond of bagger;
  • - meldgedrag;
  • - tijdelijke gronddepots.

Toezicht en Handhaving vinden plaats middels een mix van administratieve controle, vrije veldcontroles en controle van gemelde werken.

Risico op afbreken van (ondergrondse) leidingen

Bij ongelijke zettingen kunnen ondergrondse leidingen afbreken en kunnen vloeistoffen in de bodem geraken. Voorbeelden van activiteiten waarvoor in deze regio een verhoogd risico geldt zijn onder andere opslag van stoffen in ondergrondse tanks, olie-benzine-afscheiders, bedrijfsrioleringen en bodemenergiesystemen. Bewustwording van het verhoogde risico bij dergelijke activiteiten is en blijft noodzakelijk.

Om deze reden hebben de gemeenten de beleidsnotitie “Beleidsregels voor bodemonderzoek bij bedrijven” vastgesteld om grondwatermonitoring toe te passen bij olie-benzine afscheiders (obas) en zijn alle bedrijven in de regio Midden-Holland hiertoe verplicht.

Een uitzondering voor obas wordt gemaakt voor:

  • - een obas die samen met het leidingwerk onderheid is.
  • - bedrijven die hun riolering jaarlijks of tweejaarlijks laten inspecteren. Hier is het risico op verontreiniging al voldoende weggenomen.
  • - Activiteiten die worden uitgevoerd in een voor zettingen en bodemdaling minder gevoelig gebied.

Bodemenergiesystemen

De gemeenten zijn bevoegd gezag voor gesloten bodemenergiesystemen. De taken betreffen het beoordelen van de meldingen en de handhaving van de voorschriften die gelden voor deze systemen. Deze taken worden uitgevoerd door de ODMH. Hierbij wordt aangesloten bij de Besluitvormings Uitvoerings Methode (BUM) en de Handhavings Uitvoerings Methode (HUM) van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB) en de specifiek voor de gemeente Zuidplas geldende beleidsregels.

Archeologie

Archeologisch beleid is bij alle gemeenten vastgesteld en wordt vertaald naar voorschriften in bestemmingsplannen. De ODMH heeft voor enkele gemeenten mandaat om toe te zien op de naleving van voorschriften in het bestemmingsplan. Toezichthouders, op grond van het Besluit Bodemkwaliteit en van milieu hebben een signaleringstaak ten aanzien van archeologie. In overleg met de gemeenten wordt bepaald wie zo nodig gaat handhaven.

Bodem onder de Omgevingswet (ontwikkelingen)

Middels een Aanvullingswet en een Aanvullingsbesluit wordt de bodemwet- en regelgeving geïntegreerd in de Omgevingswet. Onder de Omgevingswet verschuiven de huidige provinciale bodemtaken naar de gemeenten.

Samenwerking is een kernwaarde binnen de Omgevingswet. Voor bodem en ondergrond geldt dat in het bijzonder. Het bodem- en grondwatersysteem overstijgt de gemeentegrenzen. Daarnaast is er sprake van nieuwe bedreigingen van de bodem- en grondwaterkwaliteit: er komen nieuwe bedreigende stoffen in het milieu (ook wel: Zeer zorgwekkende stoffen, zie paragraaf 4.1.2) en er is in toenemende mate sprake van nieuwe toepassingen als gevolg van hergebruik van materialen en het sluiten van de kringlopen (circulaire economie, paragraaf 4.1.1). Provincies hebben daarom toegezegd de overdracht goed te begeleiden en ook waterschappen stellen hun kennis van het bodem- en watersysteem ter beschikking. Het is aan gemeenten om de nieuwe taken goed op te pakken.

In de komende jaren, tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bereiden de gemeenten en de provincie zich voor op deze veranderingen. De ODMH ondersteunt hierbij, maar is in de verantwoordelijkheidsoverdracht zelf geen partij. De uiteindelijke afspraken over de overdracht worden tussen de gemeenten en de provincie gemaakt.

Geluid

Handhavingsbeleid geluid bij evenementen

In 2017 is door de ODMH het Handhavingsbeleid geluidsnormen bij evenementen opgesteld voor de gemeenten in de regio van Midden-Holland. Doel hiervan is om het nalevingsgedrag van de geluidsnormen bij evenementen te verhogen om geluidsoverlast te beperken. In de gemeenten Alphen aan den Rijn, Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Krimpenerwaard en Zuidplas is dit vastgesteld.

De ODMH streeft ernaar om voor alle gemeenten het huidige beleid toe te passen.

Horeca

In het jaarprogramma worden per gemeente afspraken gemaakt voor preventief toezicht op geluidsnormen in de avond en nachtperiode. Deze controles vinden plaats onder de noemer ‘horecaronde’ en worden periodiek uitgevoerd.

Naast het uitvoeren van preventieve horecarondes wordt ook specifieke geluidcontroles uitgevoerd naar aanleiding van klachten of lopende handhavingstrajecten.

Zonebeheer

Het bewaken van de normen van gezoneerde industrieterreinen (onder de Omgevingswet geluidproductieplafonds) heeft prioriteit, omdat bij het overschrijden geen vergunningen meer afgegeven kunnen worden en de normen niet overschreden mogen worden.

De bewaking van de normen van gezoneerde industrieterreinen en bedrijventerreinen met een geluidafspraak wordt uitgevoerd door middel van een zonebewakingsmodel. Het relevante deel van dit model wordt aan de bedrijven ter beschikking gesteld om bij de aanvraag van een vergunning, of het indienen van een melding, een akoestisch rapport op te kunnen stellen. Het aangepaste model wordt vervolgens weer in het zonebewakingsmodel ingebracht. Daarna wordt gecontroleerd of het bedrijf kan voldoen aan de normen. Indien voldaan wordt aan de norm, wordt de vergunning verleend of de melding geaccepteerd. In het geval van een melding wordt in bijna alle gevallen ook een maatwerkvoorschrift voor geluid opgelegd, om de geluidsruimte van het bedrijf in het zonebewakingsmodel vast te leggen. Bij het toetsen aan de norm wordt tevens duidelijk hoeveel geluidruimte nog aanwezig is in de geluidszone.

Daarnaast wordt elk half jaar een visuele controle op het industrieterrein uitgevoerd om te controleren of alle bedrijven op het gezoneerde industrieterrein bekend zijn bij de ODMH en op een juiste wijze in het zonebewakingsmodel zijn ingebracht.

Externe veiligheid

Beleidskader onder de Wabo

Door de gemeenten (behalve Krimpenerwaard) zijn in het verleden lokale visies externe veiligheid vastgesteld. In deze beleidsvisies werden kaders gesteld aan (nieuwe) risicovolle activiteiten (met name Bevi-inrichtingen):

  • - De plaatsgebonden risicocontour 10-6 diende te zijn gelegen binnen de eigen inrichtingsgrens, met uitzondering van bestemmingen als ‘Groen’, ‘Verkeer’. Binnen deze bestemmingen zijn namelijk geen (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk.
  • - Het groepsrisico diende zo laag mogelijk te zijn; de oriëntatiewaarde mocht niet worden overschreden.
  • - Afstemming was vereist met het bevoegd gezag ruimtelijke ordening (meestal gemeente) over ontwikkelingen en maatregelen in de omgeving die invloed hebben op de hoogte van het groepsrisico;
  • - Nieuwe risicovolle activiteiten (die onder het Bevi vallen) waren alleen toegestaan op bepaalde bedrijventerreinen (vastgelegd in bestemmingsplannen).

Beleidskader onder de Omgevingswet

Onder de Omgevingswet is een aantal zaken voor externe veiligheid anders ingericht. Belangrijkste wijzigingen in dit verband zijn het vervallen van het Bevi en de introductie van ‘aandachtsgebieden’.

Risicovolle activiteiten en aandachtsgebieden

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er ligt meer nadruk op de vraag of personen in de omgeving van een risicovolle activiteit voldoende beschermd zijn. De term ‘groepsrisico’ , zoals bekend onder het Bevi, is nog steeds een relevant kader. De Provincie houdt, ook onder de OW, vast aan het beleid dat de oriëntatiewaarde in principe niet overschreden mag worden.

Aandachtsgebieden leggen een ‘ruimtelijke claim’ (meer dan onder de vorige wetgeving) op de omgeving rond risicovolle activiteiten. Gemeenten zullen daarom in de komende jaren hiervoor nader beleid uitwerken in de omgevingsvisies en uitwerking daarvan in Omgevingsplannen. Bijvoorbeeld dat in bepaalde gebieden geen nieuwe risicovolle activiteiten met aandachtsgebieden (ook propaantanks hebben aandachtsgebieden!) zijn toegestaan.

De ODMH zal het beleid (opgesteld in overleg met de hulpdiensten) uit de Omgevingsplannen omzetten in de vergunningverlening. Eventueel kan met maatwerkvoorschriften geregeld worden of een activiteit wel of niet past binnen de ‘ruimtelijke claim’.