Naar hoofdinhoud

Hoofstuk 2

Artikel 2.5

Aanvullende criteria voor maatschappelijke opvang en beschermd wonen

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning Zwolle 2024

1.. Met inachtneming van artikel 2.2 van deze verordening kan een cliënt en ook eventuele kinderen van deze cliënt in aanmerking komen voor maatschappelijke opvang als gevolg van feitelijk of residentieel dakloos zijn en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving, als: De cliënt de situatie van feitelijk of residentieel dakloosheid niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in voldoende mate kan verminderen of wegnemen en; Opvang een passende, noodzakelijke en tijdelijke bijdrage levert aan het voorkomen van dakloosheid, het psychosociaal functioneren, het voorkómen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en/of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen en de behoefte van de cliënt, met als doel het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 2.. Met inachtneming van artikel 2.2. van deze verordening kan een cliënt en ook eventuele kinderen van deze cliënt in aanmerking komen voor maatschappelijke opvang als gevolg van verlaten van de thuissituatie om veiligheidsredenen door huiselijk geweld, als: De cliënt de thuissituatie heeft verlaten vanwege risico’s voor de veiligheid van de cliënt en/of de kinderen van deze cliënt als gevolg van huiselijk geweld en de cliënt niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en; De cliënt de opvangsituatie niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere maatwerkvoorzieningen in voldoende mate kan verminderen of wegnemen en; Opvang een passende, noodzakelijke en tijdelijke bijdrage levert aan het afwenden van gevaar voor de cliënt of zijn kinderen, het voorkómen van dakloosheid, het psychosociaal functioneren, het voorkómen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en de behoefte van de cliënt, met als doel het realiseren van een situatie waarin de cliënt en/of zijn kinderen in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht en in een veilige situatie te handhaven in de samenleving. 3.. Met inachtneming van artikel 2.2 van deze verordening kan een cliënt in aanmerking komen voor beschermd wonen op grond van de wet, als: De cliënt psychische of psychosociale problemen heeft en de cliënt niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en; De cliënt de situatie van psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in de thuissituatie in voldoende mate kan verminderen of wegnemen en; Beschermd wonen een passende en noodzakelijke bijdrage levert aan het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie, het psychosociaal functioneren, de stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkómen van maatschappelijke overlast en/of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen en daarbij voorziet in het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel