Naar hoofdinhoud
Toezicht op de coffeeshops In het experiment is het bestuurlijk toezicht belegd bij drie verschillende partijen: De Inspectie Justitie en Veiligheid (hierna: IJenV): Houdt toezicht op de naleving van eisen die samenhangen met de geslotenheid van de keten. De geslotenheid van de keten loopt vanaf de teelt van de hennep en hasjiesj bij de aangewezen teler tot en met de verkoop hiervan in de coffeeshop. De Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (hierna: NVWA): Houdt toezicht op de kwaliteit en de verpakking van de geteelde hennep en hasjiesj. De burgemeester: Houdt toezicht op de naleving van de wet- en regelgeving door de in die gemeente gevestigde coffeeshophouders. De bevoegdheid om bij het overtreden van de regels van het experiment door coffeeshophouders over te gaan tot handhaving is exclusief bij de burgemeester belegd. Hierdoor heeft de burgemeester de regie over zijn eigen lokale coffeeshopbeleid en wordt zoveel als mogelijk aangesloten bij de huidige situatie. Indien de IJenV bij een coffeeshop een overtreding constateert in het kader van de geslotenheid van de keten, wordt dit met de burgemeester gedeeld, waarna deze kan besluiten over te gaan tot handhaving. De IJenV, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de burgemeesters van de deelnemende gemeenten hebben afspraken over hun samenwerking bij het houden van toezicht op de coffeeshops vastgelegd op 21 april 2021 in een Toezicht- en handhavingsarrangement. Op basis van artikel 8, eerste lid van de Wet is in artikel 3 van het Besluit van de Minister voor Medische Zorg en de Minister van Justitie en Veiligheid van 14 mei 2020, houdende aanwijzing van toezichthouders op de naleving van de Wet experiment gesloten coffeeshopketen en het verlenen van mandaat en machtiging voor de uitvoering en handhaving van die wet, bepaalt dat de burgemeesters van de deelnemende gemeenten de toezichthouders aanwijzen die belast zijn met het toezicht op de naleving van de eisen die aan de coffeeshophouders zijn gesteld. Dit is in overeenstemming met artikel 8, eerste lid, van de wet en sluit aan bij de wijze waarop in de huidige situatie het toezicht op de coffeeshops in de gemeenten plaatsvindt. De burgemeester heeft de gemeentelijke buitengewone opsporingsambtenaren (Domein I) van de afdeling Veiligheid & Leefbaarheid daartoe als toezichthouder aangewezen. Gelet op de specifieke aard van het toezicht wordt dit in de praktijk uitgevoerd door een vaste pool van toezichthouders. De politie is aan zet zodra opsporing nodig is van overtredingen van strafrechtelijke bepalingen uit de Opiumwet die niet in het kader van het experiment buiten werking zijn gesteld of ter ondersteuning van de gemeentelijk toezichthouders als ‘sterke arm’. De toezichthouders voeren gedurende het experiment gepland onaangekondigde controles uit. Al dan niet met de andere toezichthouders en of de politie. Deze worden risico-gestuurd gepland. Dit wil zeggen als uit controles blijkt dat een coffeeshophouder de regels juist blijkt na te leven, de intensiteit van het toezicht verlaagd wordt en bij niet naleven hoger. Bij start wordt uitgegaan van een handhavingsintensiteit van in principe 6 controles per coffeeshop per jaar. Naast de geplande controles kunnen incidenteel controles plaatsvinden naar aan leiding van signalen zoals meldingen. Binnen een week na een controle van een coffeeshop maken de toezichthouders een rapport van bevindingen op voor de burgemeester. Opleggen maatregel De bevoegdheid van de burgemeester in artikel 10 van de wet betreft een discretionaire bevoegdheid. Dat wil zeggen dat deze bevoegdheid gebruikt wordt na een belangenafweging. Bij geconstateerde overtredingen beslist de burgemeester op basis van de rapportage van de toezichthouder (van de gemeente, IJenV of NVWA) welke bestuursrechtelijke maatregel passend is. Daarbij hanteert de burgemeester in de regel de matrix zoals in deze beleidsregel opgenomen. Tenzij dringende spoed zich daartegen verzet wordt de desbetreffende coffeeshophouder daarbij gelegenheid gegeven een zienswijze op de voorgenomen maatregel in te dienen. Herhaalde overtreding Van een herhaalde overtreding is sprake als binnen twee jaar na een overtreding van één van de voornoemde bepalingen weer één van deze regels wordt overtreden in het pand danwel onderneming, danwel door de eigenaar/exploitant, leidinggevende of ander personeel. Overtredingen van de coffeeshophouder begaan onder het gedoogbeleid worden niet betrokken bij de vraag of een overtreding een herhaalde overtreding is als bedoeld in deze beleidsregel. Maatwerk in het geval bijzondere omstandigheden De in de tabel weergegeven bestuursrechtelijke maatregelen zijn uitgangspunten. Bij toepassing dient altijd zorgvuldig gekeken te worden naar alle feiten en omstandigheden per geconstateerde overtreding. Hierin bestaat ruimte om een maatregel te matigen, bijvoorbeeld het geven van schriftelijke waarschuwing in plaats van een dwangsom. Of het verlagen van de hoogte van de dwangsom. Ook kan een kortere sluitingsperiode toegepast worden. Indien de geconstateerde overtreding en de daarmee samenhangende feiten en omstandigheden dusdanig ernstig zijn kan anderzijds gemotiveerd worden afgeweken van de in het beleid opgenomen maatregel. Zo kunnen stappen uit het stappenplan overgeslagen worden of een langere sluitingsduur opgelegd worden. Zo ook – daar waar de inrichting nog steeds mag worden geëxploiteerd als coffeeshop – bij vier of meer overtredingen. Maatwerk is zeker nodig waar het de voorbereidingsfase als bedoeld in artikel 37, eerste lid, Besluit betreft. Deze fase en dan vooral de aanloopfase daarin is bedoeld als fase om te testen, ervaring op te doen en te leren. Coffeeshophouders moeten de kans krijgen te leren en te corrigeren waar het de bepalingen betreft die nieuw zijn, zoals de bepalingen die betrekking hebben op de administratie, het registratiesysteem en de daarin uit te voeren scans en de producten voor de klanten om te testen. Dan past het om in deze fase met enige terughoudendheid te handhaven op deze specifieke bepalingen. Begunstigingstermijn In de regel wordt bij toepassing van de maatregel sluiting als bedoeld in deze regels een begunstigingstermijn geboden waarbinnen de coffeeshophouder zelf uitvoering kan geven aan een opgelegde herstelmaatregel. Overeenkomstig de beleidsregel artikel 13b Opiumwet wordt bij de sluiting een begunstigingstermijn gegeven van vijf dagen waarbinnen de betrokkene de woning of het lokaal kan ontruimen en sluiten. Indien dit niet of niet tijdig wordt uitgevoerd, zal de burgemeester overgaan tot het sluiten van de woning of het lokaal. Gedurende deze dagen kan betrokkene de nodige voorbereidingen treffen zoals het verwijderen van bederfelijke etenswaar en andere spullen en/of afsluiten van water en elektriciteit. Blijkt betrokkene na afloop van de begunstigingstermijn geen uitvoering te hebben gegeven aan het op grond van artikel 10 van de wet gegeven sluitingsbevel van de burgemeester, dan wordt dit door of namens de burgemeester uitgevoerd. Daarbij kunnen de eventuele kosten worden verhaald. Intrekken exploitatievergunning Indien van toepassing, zal naast de bestuurlijke handhaving op grond van artikel 10 van de wet bij elke constatering van een overtreding van de Wet de mogelijkheid worden bezien van intrekking van de Exploitatievergunning ingevolge de Algemene Plaatselijke Verordening Breda 2018. Bij een aantal overtredingen wordt na (herhaalde) overtreding(en) de exploitatievergunning in ieder geval ingetrokken Deze staan in de handhavingsmatrix vermeld.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel